RK Wageningen

Maandag, 20 januari 2020

Vijftiende zondag door het jaar

VIJFTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR

Lucas 10:25-37                                                                                                

Wageningen 2013

Als er één verhaal in het evangelie is, waarvan iedereen zal zeggen: typisch een vertelling uit de christelijke traditie dan is het wel de parabel van de Barmhartige Samaritaan. Hier - zo ervaren we - ben je bij het hart van wat Jezus ons wilde leren. En het wonderlijke is, het is tegelijkertijd zo humaan, zo algemeen menselijk, dat er over de gehele wereld sporen van terug te vinden zijn in allerlei organisaties en verenigingen. Denk maar aan het Rode Kruis, de Halve Maan, Amnesty International, Artsen zonder Grenzen, en talloze andere charitatieve instellingen. Een universele waarde, die door ons - terecht - toch als door en door christelijk wordt ervaren.

Zeker, het verhaal, de parabel, wordt door de evangelist aan Jezus zelf toegeschreven. Jezus als een groot poëet; en als leraar een begenadigd verhalenverteller. Maar hoe staat het met de opdracht, waarmee dit narratief eindigt: (doe jij ook zo!) gaat dat gebod ook terug op Jezus?

 

Om die vraag te beantwoorden, moeten we deze perikoop nog eens nauwkeurigrt bekijken. De man die de vraag stelt, heeft geen weet van een christelijke werkelijkheid. Hij blijft binnen zijn eigen traditie: wat is binnen mijn wereld, dat is binnen het jodendom, het grootste gebod? Hoe dat voor de Romeinen is, of binnen de andere volkeren, zal me een zorg zijn. Dat is niet mijn pakkie-an. Zo hoor je hem denken.

En ook de man, die uitgedaagd wordt om die vraag te beantwoorden… ook Jezus staat en leeft geheel binnen diezelfde Joodse traditie. In zijn antwoord blijft ook hij binnen zijn eigen cultuur, en hij citeert dan ook uitsluitend de Thora uit het Oude Testament.

En zelfs de man die als illustratie ten tonele gevoerd wordt, de Samaritaan, is iemand die van jongs af aan opgevoed is en grootgebracht met diezelfde verhalen en geboden uit de Thora. Ook hem zijn de geboden geleerd God lief te hebben met zijn hele hart en met al zijn krachten. En de wet uit het boek Leviticus was ook hem en zijn volk van generatie op generatie vertrouwd: en je naaste liefhebben als jezelf.

Misschien tot onze eigen verwondering, kunnen we hier niet anders concluderen dan dat hier - in dit verhaal - Thora en evangelie, Oude en Nieuwe Testament, naadloos samen gaan, ja dat beide identiek en één zijn. Hier vallen jodendom en christendom - zonder enig onderscheid - letterlijk samen. We leven vanuit hetzelfde geloof in God, ervaren we eenzelfde opdracht tot liefhebben: de Eeuwige en al wie onze naasten zijn.

Het is - denk ik - de moeite waard, deze zondag eens uitdrukkelijk stilte staan bij de wetenschap dat Joden, Samaritanen en Christen de vraag naar duurzaam leven op precis dezelfde wijze moeten beantwoorden: God liefhebben en de naaste als jezelf. Daarmee vallen op het allerhoogste niveau alle theologische verschillen tussen deze drie tradities geheel en al weg!

Van de week zat ik in een boeddhistisch boek te lezen, waar toevallig (maar wat is toevallig?) ook de parabel van de Barmhartige Samaritaan aan de orde kwam. De auteur ging aan de vraagstelling - wat is het grootste gebod - voorbij, maar hij vestigde mijn aandacht op een werkwoord in de parabel, die Jezus vertelt. Hij wilde zijn licht laten schijnen op het werkwoord: 'zien'. De priester, de cohen zag, de leviet zag… en de Samaritaan zag… de man. Uitvoerig gaat de schrijver dan in op twee totaal verschillende kwaliteiten van zien.

De cohen en de leviet zien, maar hun zien was vertroebeld - zo schreef die boeddhistische auteur - door hun kleine-ik. Ze waren bezig met hun eigen gedachten. Misschien zoiets als: als ik maar eerst eens thuis ben… of: wat voor welkom staat me daar te wachten? Of: wat tref ik daar aan? Of… en vul zelf maar in, waarmee je bezig bent als je na je werk of na een afgelegde visite, weer naar huis terugkeert.

De Samaritaan z a g - zo ging die auteur verder – meteen onvertroebelde, open blik. En wat zag hij? Hij zag de uitzichtloze wereld van die gewonde man. Een wereld, die helemaal was ingekrompen tot zijn actuele pijn, zijn intens verdriet, zijn mateloze angst en totale vernedering; een wereld waar niets anders meer belangrijk was, niets ander meer telde dan alleen maar zijn eigen ellende. De bezetting door de Romeinen, het grootste gebod, de vreemdelingen in het land, de grote crisis… waren als sneeuw voor de zon gesmolten tot nauwelijks noemenswaardige problemen. Alleen angst, pijn,verlatenheid waren nog dominant aanwezig. Dat zág die Samaritaan voor zijn ogen. En hij - de buitenlander - werd tot tranen toe bewogen.

En toen kromp ook zijn eigen wereld ineen. Er was niets en niemand anders nog belangrijk voor hem dan die ene berooide man. Het doel van zijn reis was verdwenen, de plek naar hij op weg was, telde niet meer. Hij was uitsluitend nog gefocust op de gebroken wereld van die gewonde mens.

Hij deed alles wat nodig was, zonder te letten op de tijd die kostte, het geld dat ermee gemoeid was, de kloof die er heerste tussen hem, de Samaritaan, en die Joodse mens. Volgens het verhaal bleef hij zelfs nog een nacht met de arme man in de herberg, wat hij aanvankelijk - voor hij de gewonde zag - misschien niet eens van plan was geweest. Ook verdere kosten komen nog voor zijn rekening… Morgen… als ik hier weer langs kom, zal ik u alles betalen!

Misschien dat deze boeddhistische auteur ook voor u een nieuw licht werpt op deze overbekende parabel; wellicht verleidt hij u om te bidden: dat ook ik zien mag… met nieuwe, barmhartige ogen…

Wie is de naaste geworden - vraagt Jezus - van die berooide man? Wat een boeddhist uit dit verhaal ons weet te leren, is: het zuivere en ongerepte zien. Dat pure zien maakt zelfs een onbekende, lijdende mens tot je naaste, en dat zien transformeert jou zelf tot 'een Mensch', een mens voor mensen.

Kortom: in welke eerbiedwaardige traditie iemand ook staat, die traditie wordt in dit verhaal gespiegeld en de parabel leert je, dat alle waarachtige religies je naar oprechte humaniteit leiden, naar mens zijn voor mensen. En omgekeerd: iedere religie en iedere levensbeschouwing, die naar oprechte humaniteit voert, is niet ver van het Koninkrijk Gods (Marcus 12:34).

Copyright © 2020 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.