RK Wageningen

Zaterdag, 21 september 2019

14de zondag van Pasen jaar C 2016

VEERTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR C

Jesaja 66:10 - 14
Lucas 10:01 - 20

Wageningen 2016

I
Voor de tweede keer in dit evangelie zendt Jezus mensen op pad. De eerste keer waren het de Twaalf, die gezonden werden, nu zijn het zeventig anderen. Ook zij gaan om mensen te onderrichten. Deze keer krijgen zij ter bemoediging een verrassende spreuk mee.

Die spreuk is Jezus zelf uiterst dierbaar. Hij heeft hem al eens eerder gebruikt, zij het met andere woorden. Hij zei toen: kijk eens goed om je heen. De velden staan wit, rijp voor de oogst (Johannes 4:35).

Hij heeft daar zelfs zijn eerste parabel aan gewijd. Die gelijkenis van de zaaier eindigt dan ook met: die oogst zal overvloedig zijn, dertig, zestig, ja honderdvoud!

Toch heeft Jezus tijdens zijn aardse leven die overweldigende oogst zelf niet mogen meemaken. Die Grote Oogst kwam pas na Goedevrijdag en ná Paaszondag, toen gelovige Samaritanen in overgrote getale naar de jonge kerk toestroomden (Handelingen 8).

Maar de gedachte aan de overvloedige oogst, die onwankelbare zekerheid, was Jezus eigen, mystieke houvast. Daarmee kon hij alle moeilijkheden in zijn leven overwinnen. Daarmee wist hij tegenslagen te verduren. Daarmee kon hij ook het vreselijke lijden en zijn smadelijke dood in liefde omarmen.

Met deze spreuk in hun hart, met dit vertrouwen gaan ook de zeventig op pad. Misschien zouden wij die spreuk niet meer zo gauw in de mond nemen. Daar is onze tijd wellicht te geseculariseerd voor, en vindt er in ons land te vaak en te veel kerkverlating plaats. Maar toch… Wie werken wil in Gods wijngaard, houdt het alleen maar vol als hij of zij beseft welk een kostbare schat ons is toevertrouwd en welk een kracht er uiteindelijk mee gepaard kan gaan. Alleen zó en met die overtuiging kunnen professionals en vrijwilligers hun werk volhouden en hun taak volbrengen.

II
De lezing van het evangelie heeft vandaag nog een verrassing in petto. Als je op pad gestuurd wordt om te gaan onderrichten, mag je toch verwachten dat je een pakket van aanwijzingen krijgt van wát er dan verteld moet worden en welke kennis de mensen moeten opslaan!? Maar in de zendingsredes van Jezus is daar nauwelijks of geen sprake van.

In plaats daarvan ontvangen de leerlingen richtlijnen hoe zij zelf zich te gedragen hebben. Opgevoed in de leerschool van Mozes, weet Jezus als geen ander, dat religie in de joodse traditie meer te maken heeft met dóén dan met intellectuele kennis...

Onze God is immers de God van de Sinai, de God van de ethiek, de God van het menselijk handelen. De Heer durft te zeggen: Behandel de mensen in alles, zoals je wilt dat zij jou behandelen. Want dat is heel de Thora en al de Profeten (Matteüs 7:12), Dat is hét onderricht.

Vandaar die hele waslijst met aanwijzingen voor ons gedrag: hoe om te gaan met geld en goed. Het belang van vrede en van vredelievende mensen. Je tijd niet verdoen met kletspraatjes. Het hooghouden van de gastvrijheid. En vooral, aandacht en zorg voor de zieken en voor allen aan de rand van de samenleving. Kortom: medemenselijkheid in alle toonaarden staat ook bij Jezus centraal. Niet als een leer die overhoord kan worden, maar als een praktijk in het leven van alledag.

Wanneer we aan de komende generatie iets door willen geven… wanneer je je kinderen een houvast, een richting willen bieden in hun leven (en wie wil dat nou niet?!) dan is het zaak, dat we zelf die Bijbelse medemenselijkheid, die zorg voor iedere naaste die we tegenkomen, onze kinderen voorleven… zowel wanneer we spreken, als in ons doen-en-laten.

Natuurlijk vinden we het van belang, dat de komende generatie weer vertrouwd raakt met onze traditie, dat ook zij de mooie Bijbelverhalen te horen krijgen, dat zij kennis maken met mensen als Abraham, Mozes, David en de Grote Profeten, maar vooral dat zij weet hebben van Jezus, van zijn leven en sterven, van zijn onderricht, zijn menslievendheid, zijn Opstanding, zijn lieve nabijheid bij ieder van ons.

Maar al dit schoons en al deze kostbare kennis dient vooral ter ondersteuning, en mag bijdragen aan onze lieve aandacht voor de medemens om ons heen.

III
Ook de liturgie wil ons vandaag verrassen. Als eerste lezing haalde de Kerk misschien wel de mooiste perikoop van Jesaja uit de kast. Als wilde zij zeggen: dit is waar het hele katechetisch proces op gericht is… dat wij - vertrouwend op de grote oogst, - het machtige mysterie van ons bestaan op het spoor komen: het overweldigende IK-van-het-universum.

In deze perikoop komt het woord IK maar weinig voor. De eerste keer als Iemand die vrede laat toestromen naar Jeruzalem, naar Gods Kerk, naar zijn Gemeente. Dat IK wordt hier met enige nadruk gezegd. Ik, ik laat vrede stromen! IK, de Eeuwige… Wat een prachtig beeld… om mediterend bij stil te staan: vrede als een rivier, die op ons toestroomt… vrede, die ons geheel en al vervullen zal met innerlijke rust…

En wie is die IK, die vervolgens - als een moeder - ons troost? Ieder die ook maar een beetje met de profeten vertrouwd is, zal begrijpen dat ook achter dat woord Ik, de Eeuwige schuilgaat.

Om dit ik nog sterker te benadrukken gebruikt Jesaja bij dat tweede IK wellicht niet het gewone Hebreeuwse woord voor Ik (ani) zoals hij deed bij de vrede. Nu klinkt het meest plechtige woord dat hij kent: Anochi.

Dit hele vers is trouwens bijzonder. God wordt hier immers geen Vader genoemd, zo als we misschien zouden verwachten, maar Moeder! Een zeldzaamheid; niet alleen in de Bijbel, maar ook in heel de joodse én in de christelijke traditie.

Het zal een heel mensenbestaan van toegewijd leven kosten voor wij deze prachtige tekst van Jesaja enigszins op zijn volle waarde weten te schatten.

Maar,
wie het gegeven is
om met Jesaja
zó naar de Eeuwige op te zien,
heeft zijn of haar deel
van de grote oogst
al in overvloed ontvangen

Copyright © 2019 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.