RK Wageningen

Zondag, 26 januari 2020

Openbaring des Heren 2016

Jesaja 60:1-6
Matteüs 2:1-12

Wageningen 2016 

Het evangelie dat u zojuist hoorde voorlezen, de geschiedenis van de wijze magiërs, heeft - sinds de middeleeuwen - de fantasie van het volk geprikkeld en uitgedaagd. Mensen beschouwden het (terecht!) als hun verhaal, waar ze dus mee konden spelen en op konden voortborduren. De mannen werden in hun gedachten koningen. Ze waren met zijn drieën en ze kwamen uit de drie (toen) bekende continenten: één uit Europa, één uit Azië en één uit Afrika. Daarom dat die laatste ook zwart is. 

Zo staan ze als drie koningen tot op de dag van vandaag gedrieën in de kerststal met kronen op het hoofd en de drie geschenken in hun handen: goud, wierook en mirre. Er ontstonden ook allerlei folkloristische gebruiken op zes januari, de dag van hun verering, want heilig waren ze in tussen ook geworden. Van verstopte boon in een gebakken koek tot kinderen, die van deur tot deur liederen zijn gaan zingen. In sommige streken staan hun namen geschreven boven de voordeur: Kaspar, Baltasar en Melchior. 

Zo ligt dit Bijbelverhaal ingebed en verankerd in onze cultuur. Dat is m.i. een traditie om te bewaren en voort te zetten. 

Wie het verhaal liever wil beschouwen in het licht van de Schrift, zal ontdekken dat Matteüs in deze parabel (want dat is het: een parabel!) allerlei Bijbelse toespelingen heeft opgenomen, zowel uit het Oude als uit het Nieuwe Testament. 

Op de achtergrond ontwaren we twee beroemde voorouders van Jezus: David en Abraham. De beide steden, die in het verhaal voorkomen, roepen de persoon van David op. Bethlehem, zijn geboortestad; en Jeruzalem met zijn bijnaam: Stad van David. De stad, waar hij als koning geregeerd heeft. 

Maar nog veel prominenter dan David is Abraham in dit narratief aanwezig. Hij kwam - net als de wijzen - op zijn tocht uit het oosten en ook hij bereikte op den duur het Land van Belofte. Hij was evenzeer als zij van-huis-uit een niet-jood, geboren en getogen als een heiden, opgegroeid in een heidense omgeving. Iemand ook, die net als zij heel zijn leven op reis was, op zoek naar het centrum van zijn bestaan.

Uit het oosten is Abraham door God geroepen om Vader te worden van alle gelovigen: Vader van het joodse volk, Vader van alle Christenen, en zelfs de Islamieten beschouwen hem (evenzeer terecht) als hun Vader. Patroon is hij geworden van allen, van welke geloofsovertuiging ook, die op zoek zijn naar de zin van hun bestaan. Precies daarin ligt ook de betekenis van dit evangelieverhaal, deze parabel: de zoekende mens. God vinden en daardoor ook zelf gevonden worden. Door God wel te verstaan! 

Matteüs neemt met zijn openingsverhaal bovendien ook een voorschot op het eigenlijke evangelie. Als de wijzen in Jeruzalem aankomen, vragen ze naar ‘de koning der Joden’. Precies die zelfde titel zullen we terughoren in het lijdensverhaal als de soldaten Jezus na de geseling spottend groeten met de woorden: gegroet, koning der Joden! Even later zien we die woorden geschreven boven het kruis, waaraan de Heer sterft. 

Was het kindheidsevangelie van Lucas vol van blijdschap, troost en bemoediging, het verhaal van Jezus’ kinderjaren bij Matteüs is doordrenkt van bloed. Ook ons evangelie van vandaag loopt uit op de moord van de onnozele, d.w.z. de onschuldige, kinderen. 

De boodschap van Matteüs is: Jezus zal in zijn leven en sterven deelgenoot zijn van het eindeloze lijden van zijn geliefde volk. De aangeboden mirre verwijst daar naar; het staat er symbool voor. 

Toch eindigt dit verhaal niet in mineur. Door de hemel gesteund, vinden de wijzen - heel letterlijk - een nieuwe Weg, waarlangs zij echt thuis komen. ‘Thuiskomen’ in alle betekenissen van het Woord: thuiskomen bij zichzelf, thuiskomen bij de Heer, een thuiskomen ten leven. Zij hebben het waarachtige thuis gevonden. Of liever, beter: hun is een ‘thuis’ geschonken. 

In het begin van deze overweging zei ik: mensen beschouwen dit verhaal als hun verhaal. Dat is nog veel dieper waar dan dat het toen, in het begin van de preek, klonk. Het narratief gaat inderdaad ten diepste over ons! Wij mogen die zoekers zijn naar de zin en betekenis in ons leven! 

Misschien hebben wij ooit een glimpje van een ster gezien; een uitnodiging ontvangen om op zoek te gaan naar verdieping van ons leven-in-geloof? Ja, wat of wie was toen de ster-in-jouw-bestaan, die jou op weg zette? Was het iets… of iemand in jouw jeugd…? Of later…? Een markante gebeurtenis, een gezegde wellicht, die jou is bijgebleven…? 

Sommige mensen wachten nog steeds op zo’n ster, die je oproept om die geestelijke reis en zoektocht te maken. Er is niets op tegen om daarom te bidden. Integendeel. Voor anderen was hun opvoeding, de traditie in het gezin… licht genoeg om een levenlang de weg van het geloof te blijven gaan. 

Niet weinigen van ons zijn echter gaan twijfelen, nu we in een door en door seculiere wereld terecht zijn gekomen. Daarom is voor ieder van ons dit verhaal nu hoogst actueel: een uitnodiging om op zoek te gaan naar de ster in jouw leven en om die dan nauwgezet te volgen, lezend en mediterend in de Schrift. 

Want hoe belangrijk zo’n ster ook mag zijn, hij is uiteindelijk niet beslissend. Volgens het verhaal geeft uitsluitend de Bijbel bij monde van de profeten de laatste en definitieve aanwijzing. In Bethlehem, moet je zijn; Huis van Brood betekent die naam. 

Daar is levend brood te vinden,
dat jou voedt,
dat jou bezielen kan
en inspireert op je levensweg. 

Moge het zó voor ons allen een Zalig Nieuwjaar worden.

Copyright © 2020 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.