RK Wageningen

Zondag, 26 januari 2020

26ste zondag door het jaar B (2015)

ZESENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR B 

Numeri 11:25-29
Marcus 9:38-40

Wageningen 2015 

Twee, bijna identieke, verhalen worden ons vandaag voorgehouden. Eén uit het Oude Testa-ment, waarbij Mozes de hoofdrol speelt en één uit het Nieuwe Testament, waar Jezus de centra-le figuur is. Ik wil eerst maar eens kijken naar wat de rabbijnen over dat Mozes verhaal te zeg-gen hebben. 

Mozes kreeg van de Almachtige de opdracht om naast zich 70 oudsten aan te stellen. Zij zouden hem moeten helpen bij het leiden en besturen van het volk. Een eervolle uitverkiezing, een pro-motie op de maatschappelijke ladder. 

Maar met die opdracht - zo zeggen de joodse geleerden - had Mozes een probleem. Hij overleg-de bij zich zelf: als ik uit ieder van de twaalf stammen vijf mensen kies, dan kom ik er tien te kort. Neem ik er zes uit elke stam, dan heb ik er twee te veel. Mozes besloot toch tweeënzeven-tig namen op de lijst te zetten, Uit iedere stam dus zes.

Vervolgens maakte hij zeventig briefjes met het woord 'ouderling' erop en twee blanco briefjes. Degene, die zo'n blanco briefje trok, viel dan automatisch af. Zo kon geen enkele stam klagen, dat zij waren achtergesteld. Zogezegd, zo gedaan 

Na afloop aanvaardden de twee, die het lot aanwees als niet uitgekozen, deze utkomst. Om hum grootmoedigheid en hun loyaliteit worden in het verhaal hun namen met ere genoemd: Eldad en Medad, 'Geliefd door God' betekenen hun naam! 

Toen Mozes een vergadering met de zeventig nieuwgekozenen uitschreef, bleven zij dan ook in alle gemoedsrust thuis bij hun tent. Maar terwijl Gods geest op de zeventig neerdaalde, gebeur-de het wonderlijke, dat ook de twee thuisblijvers geheel van Gods geest vervuld werden. Ook zij profeteerden, d.w.z. ook zij spraken namens God, of beter nog: spraken in de geest van God. 

 

In allerijl werd dat natuurlijk aan Mozes overgebriefd. En Jozua, de latere opvolger van Mozes, zei, wat ieder van ons misschien ook gezegd zou hebben: Verbied dat toch voor het helemaal uit de hand loopt en we in een chaos terecht komen. Maar Mozes, grootmoedig als hij was, zei: Waarom zou ik? En hij ging zelfs nog een stap verder en voegde er het profetische woord aan toe: Ik wou, dat héél het volk – als profeten - in de geest van God zou spreken en handelen. 

De Rabbijnen staan lang stil bij die onbaatzuchtige houding van Mozes. Geen enkele behoefte is er bij hem te bespeuren, om de macht aan zichzelf te houden. Hij is bereid zijn macht en gezag te delen met alle mensen. Een echt democratische houding, die iedere aanleiding tot twist, ruzie, naijver, ja zelfs oorlog en geweld met wortel en tak uitroeit. Niks geen geroep om duidelijkheid van: Wie hoort er nu bij en wie niet, of, laten we eens zien, wie hier de baas is. Integendeel: ik zou willen, zegt Mozes - met een vooruitziende blik - dat allen mensen Gods Geest zouden ont-vangen. 

 

In deze traditie van Mozes, staat ook Jezus van Nazareth. Ook voor Jezus - en dus ook voor ons - is Mozes: rabbinoe, onze leraar. Wanneer Petrus op Pinksteren, de geboortedag van de kerk, zijn eerste rede uitspreekt, dan citeert hij met instemming de profeet Joël, waar Joël zegt: Het zal in de laatste dagen zijn - zegt God - dat Ik van mijn geest zal uitstorten over alle levende mensen. Uw zonen zullen profeteren, maar ook uw dochters. En jonge mensen onder u zullen visioenen zien, evengoed als ouderen dromen zullen dromen. Ja, over mijn mannelijke slaven, maar evengoed over mijn slavinnen zal Ik mijn geest uitstorten en zij allen zullen profeteren – spreken in mijn Geest. 

Volgens Petrus is in de gemeenschap rond Jezus de wens van Mozes en de profetie van Joël in vervulling gegaan. Alle mensen delen daar in een algemeen priesterschap. In princiepe zijn in de Jezus-beweging dan ook geen rangen en standen, voor zover het gaat om het bezitten van Gods Geest. 

 

In het evangelie van deze morgen treffen we bijna eenzelfde gebeuren aan. Jezus reageert daar-op met de ruimhartigheid van Mozes. Was de tegenspeler van Mozes Jozua, bij Jezus vervult Johannes, de meest geliefde leerling die rol. 

 

Johannes had gezien dat iemand, die 'nota bene niet bij onze club hoort', toch in Jezus naam duivels aan het uitdrijven is. Het moet toch niet gekker worden! moet hij gedacht hebben. Zo breng je de gewone, eenvoudige gelovigen maar in verwarring. Met verontwaardiging nog in zijn stem brengt hij Jezus op de hoogte. 

Maar hoe anders pakt het uit. Niet die vreemde duivelbezweerder – die niet bij ons hoorde – wordt terechtgewezen, maar de man die een extra intiem plekje had in Jezus hart, Johannes, hij ziet het helemaal verkeerd! Beschouw liever ieder mens die iets goeds doet in onze wereld – wie het ook is – als een vriend en een bondgenoot. Zó sta je in de traditie van Mozes; zó handel je in de geest van Jezus. 

Vandaag sluiten we de vredesweek af. Beide Schriftlezingen wijzen ons op de valreep opnieuw op stappen die we zelf kunnen zetten in de richting van intense vrede. Zou het geen goed idee zijn om komende week eens te kijken of je iets goeds kan ontdekken in wat andere kerken doen, of bij het Humanistisch Verbond, of bij asielzoekers, of bij mensen die jou niet zo liggen. En vooral of jij je over dat goede ook echt kunt verheugen, en of je zelfs van die vreugde hardop kunt getuigen. Het zal je waarachtig niet meevallen. 

Twee uiterst korte verhalen, maar wat een verschil met wat we gewoonlijk zien… Tegenover naijver, jaloezie en honger naar macht, stralen deze twee kleine voorvallen warmte uit, liefde en vreugde, maar vooral bewerken ze een innerlijke vrede, waar we zo verlangend om bidden.

Copyright © 2020 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.