RK Wageningen

Maandag, 20 januari 2020

15de zondag door het jaar B

Amos  7:12-15
Marcus 6:7-13 

Wageningen 2015 

Toen Marcus zijn evangelie begon te schrijven, moet hij gedacht hebben: kleren maken de man. Want iedere figuur die een min of meer belangrijke functie in zijn verhaal inneemt, wordt door de evangelist zorgvuldig in de kleren gestoken, kleding, die hen passen. De kleren onderstrepen de rol, die Marcus hem in het verhaal toebedeelt.  

Zo draagt Johannes de Doper hier in dit evangelie de kleren van Elia: een gordel en een kameelharen mantel, want dat is hij: de nieuwe Elia, de voorloper van de Messias (1:6).   

De lange gewaden, waarin de Schriftgeleerden zo graag rondwandelen (12:38-40) volgens de evangelist, krijgen extra aandacht. Het is duidelijk, dat 'lange kleren' hier een negatieve waarde vertegenwoordigen. Die kleren maskeren. Ze liegen. Ze dragen wel de schijn van vroomheid, maar in het verhaal beantwoordt daar geen authentiek en open innerlijk aan.  

Een onbekende jongen in de Hof van Olijven, die wegvlucht als men ook hem wil arresteren, laat zijn bovengewaad achter in de handen van de soldaten. Hij staat letterlijk en figuurlijk in zijn hemd (14:52).  

De jongeman in het graf daarentegen is terecht in het wit gekleed, de kleur van het ultieme geluk. Hij verkondigt immers het goede nieuws, de hemelse boodschap van de opstanding der doden (16:5).  

Ook de kleren van Jezus komen ter sprake, bij herhaling zelfs. Niet alleen op de berg Thabor (9:3), maar ook bij de genezing van de vrouw met de bloedvloeiing (5:27-31). Soldaten trekken Jezus spotkleding aan en zetten hem een doornenkroon op het hoofd als ze een ruw spelletje met hem gaan spelen. Maar fijngevoelig voegt Marcus er aan toe: ze trokken Jezus zijn eigen kleren weer aan toen zij hem wegvoerden ter kruisiging. Op die pijnlijke weg is hij helemaal zichzelf, de lijdende Dienaar van de Heer.  

 

Ook in het evangelie van vandaag komt kleding ter sprake. Wat we te zien krijgen - ter overweging - is het reistenue van de Twaalf.  

Jezus roept de Twaalf opnieuw. Hij had dat al eerder gedaan (3:1-19). Toen werd er bij gezegd wat Jezus met hen voor had. Hij kiest hen namelijk uit a) om Hem nabij te zijn en b) om door Hem uitgezonden te worden.   

En nu is het zover. Ze krijgen vooraf allerlei instructies. Sommige zaken mogen op deze tocht niet mee, zoals brood of geld, ook geen reiszak of extra kleren. Andere zaken moeten juist weer wel. En tot dat laatste horen – misschien tot onze verbazing – kledingvoorschriften.   

Ze moeten er onderweg letterlijk op zijn paasbest uitzien: de staf in de hand, de lendenen omgord en sandalen aan de voeten.   

Als ik het zo formuleer, komt bij u wellicht een ander Bijbelverhaal voor de geest. Zo luidden immers ook de voorschriften voor het eten van het paasmaal vlak voor de uittocht uit Egypte.   

Zo gaan ook zij, de Twaalf, op stap, op zijn paasbest, om te getuigen van de Paasboodschap, om de vrijheid van de kinderen Gods te verkondigen, onze verlossing en bevrijding van alles wat ons benauwt en inperkt.  

Als we hen onderweg zo bezig horen, dan valt in hun prediking nog een ander woord op: 'bekering'. Dat woord heeft in onze oren misschien een wat ouderwetse en voor sommigen misschien zelfs een wat irriterende klank.   

Maar wat bedoelde Jezus met dat woord? en de apostelen? of de joden in het algemeen, joodse mensen van toen en joden van nu? Het woord dat zij nog steeds gebruiken is: 'tesjoeva', letterlijk betekent dat woord 'terugkeer'. Zij hanteren daar een prachtige spreuk bij. Een spreuk die dat vreemde woord uitlegt: Van God zijn we uitgegaan, naar God keren we terug.   

Hun verstaan van dat woord 'tesjoeva' omvat dus veel meer dan alleen 'schuld en boete'. Het beschrijft de levensloop van iedere mens, ook van onschuldige kinderen, ook van Maria en zelfs van Jezus.   

Want ook in het bewustzijn van Jezus leefde die spreuk, zoals u zich wellicht herinnert uit het evangelie van Johannes, waar die evangelist vertelt over de voetwassing aan het Laatste Avondmaal (Joh. 13). De joodse vroomheid ziet dus het hele leven als één geweldige, fundamentele kringloop.  

Het zijn warme woorden, vol troost en bemoediging. Ze vormen een prachtige mantra voor je meditatie: van God ben ik uitgegaan, naar God keer ik terug. Je zou die woorden diep in je ziel moeten laten druppelen, langzaam, woord voor woord, als heilzame balsem.   

Die woorden zullen je bevestigen in je menselijke waardigheid. Ze geven een positieve richting aan je leven en - voor de gelovige mens - kunnen ze in toenemende mate de pijnlijke angel wegnemen uit de allerlaatste fase van je bestaan.   

Dit is de Paasboodschap die de leerlingen aan de wereld mogen brengen: letterlijk bevrijding van alles wat ons benauwd en angstig kan maken. Met luide stem spreken de kleren van hen, die twee aan twee gezonden zijn en tegelijkertijd onderstrepen hun woorden dat goede nieuws: de weg die we gaan, is niet een weg ten dode, maar een weg ten leven.   

Van God zijn we immers uitgegaan,
naar God keren we terug 

 

            

Copyright © 2020 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.