RK Wageningen

Maandag, 20 januari 2020

Twee zondag in de veertigdagentijd B

TWEEDE ZONDAG IN DE VEERTIGDAGENTIJD B

Genesis 22

Wageningen 2015

Het is ongelooflijk hoeveel kinderoffers in de grijze oudheid door de heidenvolkeren in Palestina werden opgedragen aan allerlei goden. Vooral aan Moloch. Zoveel dat sommige vrome Israelieten meenden, dat ook de ware God dat van ouders kon vragen. Hij, die zich juist als de Liefdevolle-bij-uitstek aan Abraham had geopenbaard! We kennen die misstanden niet alleen uit allerlei Bijbelverhalen. Ook archeologische opgravingen hebben talloze kinderlijkjes aan het licht gebracht, begraven onder oude stadsmuren en verdedigingswerken.

Om paal en perk te stellen aan deze wrede gebruiken, vroeg Micha, de profeet (Micha 6:7-8) zich dan ook af:

Zal ik mijn eerstgeborene offeren voor mijn overtreding,

            de vrucht van mijn schoot voor de zonde van mijn ziel?

Zelf geeft hij namens de Eeuwige het antwoord:

            God heeft jou bekendgemaakt, o mens, wat goed is

            en wat jhwh van je vraagt: niets anders dan recht te doen

            de trouwe liefde lief te hebben,

 en ootmoedig te wandelen met je God.

Ook werd al heel vroeg in de geschiedenis van Israel het verhaal van Abraham in omloop gebracht – ter lering. Het verhaal dat u in de 1ste lezing gehoord hebt en dat wij in onze tijd mogen lezen als een parabel. De nadruk in dit narratief ligt niet op de eerste zin: God stelde Abraham op de proef… de volle aandacht moet uit gaan naar het eind, waar de Eeuwige zegt: strek je hand niet uit naar de jongen, doe hem geen kwaad! Want de boodschap van het verhaal is: onze God, jhwh, de Hoeder van Israel, vraagt zoiets afschuwelijks niet en nooit van zijn mensen. Daar is hij veel te zeer een God van Liefde voor.

Kun je dat ook aan de tekst zien? vragen de Rabbijnen zich af. Lees je het verhaal zó dan wel goed? Zij geven zelf het antwoord: Ja, let maar eens op welk woord er voor God gebruikt wordt in dit verhaal. In het begin is het een algemeen woord, dat je - terecht - ook zou kunnen vertalen met ‘een of andere God’, Moloch, Baal of zo. Maar op het hoogtepunt van het verhaal, komt de God-die-redt-van-de-dood tussenbeide: jhwh, de God van Abraham, Izaak, Jakob.

In die twee verschillende Godsnamen ligt een sleutel om de boodschap van het verhaal goed te verstaan.

In onze tijd maken we ook zoiets mee als Abraham in dit verhaal overkwam. Je zou je kunnen voorstellen, dat een vrome Moslimjongen, meent een stem van God te horen, die hem oproept tot Jihad, hem vraagt om te gaan vechten in Syrië of Irak. Hij kent het verhaal van Abraham ook. Hij heeft geleerd jaarlijks dit offer te vieren, gedachtig aan Abraham.

Als hij aan een wijze rabbijn zou vragen (wat die jongen natuurlijk niet doet!): Ik heb die stem van God gehoord, wat moet ik nu doen? Dan zou die rabbijn zoiets zeggen als: van nu af aan ga je bij alles wat je doet, biddend aan God vragen: is dit werkelijk wat U, God, Allah, van mij vraagt? Als je koffers pakt, als je de route uitstippelt om daar te komen, als je naar Schiphol reist, als je in het vliegtuig stapt, of wat je ook doet, blijf het vragen, kéér op keer. Ga naar binnen, ga naar je hart met de vraag; wat wilt U dat ik doen zal… niet mijn wil, uw wil geschiede…

Zó althans lezen rabbijnen de eerste tien verzen van dit verhaal. Abraham is voortdurend innerlijk bezig met de vraag: werkelijk, Heer? Bent U het, die dit van mij vraagt? Wilt U, dat ik mijn kind offer? Als hij opstaat, de ezel zadelt, de knechten roept om zich klaar te maken voor de reis, onophoudelijk díé vraag. Vooral als hij het hout zit te kloven, klooft hij a.h.w. zijn eigen ziel om het antwoord te kunnen horen van de ware God. Ja, zelfs op het hoogtepunt van het verhaal, als hij het mes al geheven heeft is hij nog een en al oor…

Hier in dit verhaal geldt niet: beloofd is beloofd. Neen, dat is nu een veel te gemakkelijke spreuk; letterlijk een dooddoener. Hier is een nederige houding vereist: ik kan me vergissen, hoe vroom het misschien ook mag klinken wat ik van plan ben te doen. Ik kan immers beïnvloed zijn door mijn omgeving, door mijn cultuur, mijn zucht om iets opzienbarends te doen… wijs Gij mij de weg… uw weg!

Ook al is het voor ons geen bekoring meer om een eigen kind te offeren, die luisterhouding van Abraham is voor iedere gelovige (van welke traditie ook) een lichtend voorbeeld ter navolging. Zeker ook voor moslims, die vertrouwd zijn met het offer van Ibrahiem. Maar ook voor iedere christen, bij ieder voornemen om iets goeds te gaan doen, hoe mooi dat ook mag klinken: is dit wat U van mij vraagt?

Een andere hoofdspeler in het verhaal is Izaak. Hij komt maar heel even aan het woord, maar wel in een schitterend dialoogje met zijn vader, terwijl hij zelf het hout draagt. Papa, hier is wel het hout en het vuur, maar waar is het lam? Iedere ouder weet, dat als een kind, hoe klein ook, iets dergelijks vraagt in die omstandigheden, hij meer weet en meer vermoedt dan uit zijn woorden blijkt. God zelf zal er in voorzien, mijn zoon.

De verteller van het verhaal omlijst dit dramatische gesprek in het begin en op het eind met: zo liepen zij beiden samen verder. De goede lezer begrijpt: Abraham en Izaak waren één van hart toen ze samen op weg gingen, en zijn het ook nu nog – na dit korte gesprekje. Zij zijn één in geloof en vertrouwen op de Heer van het Leven. M.a.w. Izaak is bereid te sterven als dat van hem gevraagd zou worden.

Zo portretteert de houtdragende Izaak Jezus met kruis, zo weerspiegelt hij de gezindheid van Jezus op de weg naar Golgotha. Zo ook gaat dit verhaal vandaag in de liturgie vooraf aan het narratief van Jezus op de Berg van de Verheerlijking. Beiden, Jezus en Izaak, zijn één van hart. Bereid tot welk offer ook.

Zo vallen - op mystieke wijze - die drie Bijbelse bergen samen tot één groot verhaal:

de Moria, de berg van Izaak en Abraham

de Thabor, de Berg van de Verheerlijking,

Golgotha, de berg van Jezus

Zo zijn wij - voortdurend lezend in het Nieuwe én Oude Testament - op weg naar Pasen, het feest van het waarachtige Leven, met de vraag: wat wilt U dat ik doen zal.

Copyright © 2020 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.