RK Wageningen

Zaterdag, 26 september 2020

Christus koning, van het heelal A

CHRISTUS KONING, VAN HET HEELAL A

Ezechiël 34:11-17

Matteüs 25:31‑46

Wageningen 2014

Vorige week hebben we nagedacht over de grote talenten, die ons waren toevertrouwd. En we hebben ons afgevraagd: wat doen we daar eigenlijk mee? Waaraan besteden we onze energie? Vandaag Gaan we daarop door en vragen ons met Jezus af waar het nu uiteindelijk op aankomt in het leven van een christen. Waar worden we geacht onze religieuze energie in te steken?

De parabel, die we vandaag te horen krijgen, is een apotheose, een slotstuk in de prediking van Jezus tijdens zijn het openbare leven. Ik denk, dat deze evangelieperikoop werkelijk een parel onder de parels is, één van de kóstbaarste erfstukken van de christelijke inboedel. Matteüs op zijn allerbest.

Het is waar: de parabel is verrassend eenvoudig, zoals alle dingen, die werkelijk diep en wijs zijn: eenvoudig in zijn verwoording. Want er staat niet meer en niet minder, dan dat het in het christelijke leven uiteindelijk gaat om het doodgewone, het alledaagse: om de mens en zijn relaties in het leven van alledag.

Als ik het eens in hedendaagse termen mag zeggen: het gaat om de koopkracht van de minst draagkrachtige, om de vreemdeling, de Turk, de Marokkaan, de asielzoeker, de vreemdeling in ons midden, om de doodzieke kankerpatiënt, de gediscrimineerde lijder aan aids, de eenzame zieke in een verpleeginrichting, de demente man of vrouw, om de vluchteling in een tentenkamp, om drugverslaafden, om misdadigers in de gevangenis, om de gemartelde mens, de inwoner van de derde wereld evengoed als de buitenstaander hier dichtbij.

Kortom: het gaat uiteindelijk om de dingen, waar de kranten bol van staan, waar regeringen dagelijks mee bezig zijn en waar kabinetten over struikelen, waar mensen soms bij duizenden de straat voor opgaan. Wonderlijk hoe heel een evangelie zo concreet kan eindigen, want deze woorden zijn de laatste van Jezus in het openbaar.

Nu zou u mij misverstaan, als je meent, dat ik de zin onderschrijf: Het doet er allemaal niet hoe, wát je gelooft en óf je gelooft, als je maar goed bent voor je naasten. Die zin is te goedkoop, te gemakkelijk en te simplistisch. Het schilderij, dat Matteüs ons vandaag voorhoudt, is veel rijker dan een slagzin voor een succesagenda.

Want let eens op de setting: die eenvoudige waarheid over de diepste zin van het bestaan, wordt gepresenteerd in het kader van een rechtspraak. En degene, die het proces voorzit, is er zelf in hevige mate bij betrokken, ja, hij is zelf in het geding.

Allereerst valt op, dat Hem alle titels gegeven worden, die in het evangelie te vinden zijn: Mensenzoon, Hij‑die‑komt, Koning, maar ook Herder want er is sprake van schapen en bokken, en Zoon Gods, hij noemt immers de Eeuwige: Mijn Vader. Stuk voor stuk parels, iedere titel is een meditatie waard, want in die namen ligt heel het evangelie samengebald.

Maar het werkelijk verrassende, het gloednieuwe is, dat de Rechter in alle heerlijkheid gezeten op de troon van zijn glorie en omgeven door al zijn engelen ‑ Hij met die heerlijke, goddelijke namen – dat Hij zich volkomen identificeert met de aller-geringsten onder de mensen.

Zijn vraag luidt niet: heb je geloofd dat Jezus werkelijk tegenwoordig is in de eucharistie. Hij stelt niet een of andere catechismusvraag om te zien of wij wel het rechte geloof aanhangen. Neen, maar: heb je de mens gediend, toen je hem behoeftig op straat of in je leven tegenkwam? En dan dat onbegrijpelijk mysterie van vereenzelviging: Jezus en iedere naaste in nood - is één en dezelfde.

Voor wie dit in geloof aanvaardt, wie uit deze visie leeft, legt een christelijk, d.w.z. een van Christus afkomstig, fundament onder bewegingen als Amnesty International, Gast aan Tafel, onder de wereldwinkel en noemt u maar op. Voor wie in deze traditie staat, is niets meer puur humanistisch van alles wat gericht is, op de verbetering van de kwaliteit van het leven.

Het is de taak van de christen in de samenleving, die eenheid tussen Jezus en de ontrechte mens aan de orde te stellen, uit te diepen en te bemediteren en zelfs te realiseren.

Want Jezus heeft zich niet met mooie woorden of diepzinnige gedachten geïdentificeerd, maar met de lijdende mensen.

Wie vandaag thuis in zijn/haar Bijbel dit evangelie nog eens na zou willen lezen, zou niet moeten stoppen bij het eind van hoofdstuk 25, maar ook de eerste zin van 26 moeten lezen en overwegen.

Daar staat: Toen Jezus al deze woorden beëindigd had, zei hij tegen zijn leerlingen: je weet, dat het over twee dagen Pasen is, dan zal de Mensenzoon overgeleverd worden om gekruisigd te worden.

M.a.w. nadat hij dit alles gezégd had, ging hij heen om die woorden zelf waar te maken in zijn leven en sterven.

Hij wordt dan heel letterlijk de arme, de naakte, de dorstige, de gevangene, de gemartelde, de stervende, gerekend bij het uitschot van de maatschappij.

Zó kom je hem tegen in een bedelactie op de TV voor ebolapatiënten, in politieke vraagstukken, in het oorlogsgeweld in Syrië en bij onthoofde slachtoffers van Isis. Zó is hij één geworden met ons mensen. En zó vraagt hij óns om één te worden met hem. Als een uitverkiezing.

Moge dit evangelie ook een troost zijn voor ieder van ons, die ziet dat zijn of haar kinderen niet meer naar de kerk gaan, maar zich wel inzetten voor het wel en wee van hun naasten, dichtbij of veraf. Want waar het uiteindelijk om gaat, brengen ze - misschien onwetend - al in hun doen en laten in praktijk.

Moge dit evangelie ook ieder van ons begeleiden in onze omgang met de naasten; moge het ons voor ogen staan bij al ons spreken over andere mensen, en moge het ons leren wat het zeggen wil:  barmhartigheid is het enige dat ik vraag, Ik, de Eeuwige, Ik, die de Barmhartigheid zelve ben.

Secretariaat

Bergstraat 17
6701 AB Wageningen
0317 - 747111
Email 

 

Bereikbaarheid
Ma t/m vr van 10:00 – 12:00
In spoedgevallen:
06 - 16 77 77 05 (24 uur /7 d)

ICC (English)

Parochieblad

Copyright © 2020 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.