RK Wageningen

Zondag, 26 januari 2020

De Doop des Heren Jaar A

DE DOOP DES HEREN A

Jesaja  42: 01-07

Matteüs 3:13‑17

Wageningen 2014

Er is iets vreemds, iets ongewoons aan de hand met het evangelie van deze zondag. Net als het feest van vandaag krijgt het de titel mee: De Doop van Jezus. Maar wat er ook in dit narratief verteld wordt … niets, geen enkel woord over de doop zelf!

Uitvoerig gaat de evangelist in op wat er vóór de doop gebeurde: het gesprek tussen Johannes en Jezus. Ook wat er ná de onderdompeling geschiedde komt aan de orde; wat Jezus te zien kreeg: de Geest die op hem neerdaalde - zoals een duif neerdaalt, en wat er te horen was: een stem uit de hemel, maar de doop zelf…? Die blijft diep in het verleden verborgen, onttrokken aan onze ogen als een heilig geheim, als een mysterie Gods.

Wat heeft dat alles te betekenen? Waar wil de evangelist dan onze volle aandacht op richten? Wat is de boodschap, waar ligt in dit verhaal het Goede Nieuws?

Het eerste dat op mag vallen is, dat Matteüs - in tegenstelling tot alle andere evangeliën – heel nadrukkelijk de reis vermeldt, de Jezus moest maken om bij Johannes uit te komen. Hij vertrok vanuit Galilea in het hoge noorden naar ver in het zuiden, naar de Jordaan, waar de Doper zijn activiteiten uitoefende. Een lange reis, die zeker enige dagen in beslag moet hebben genomen.

Die reis had maar één doel: gedoopt te worden. Dat verlangen naar de doop was blijkbaar niet zo maar een opwelling van het ogenblik. Het was een weloverwogen, vastberaden keuze. Maar wat het motief van Jezus daarbij was, blijft voor ons nog even verborgen.

Als Jezus dan eindelijk aan de beurt is om in het water af te dalen… dan gaat hij, die hem moest dopen, plotseling dwarsliggen, in de weg staan. Ik moet door U gedoopt worden… en Gij komt tot mij?! Johannes doorziet onmiddellijk de situatie: dit is toch een absolute onmogelijkheid! Johannes heeft (heel letterlijk) al het gelijk van de wereld aan zijn kant. Wie van ons zou dat willen ontkennen?

Dan spreek Jezus een raadselachtige zin uit. Een zin die voor ons op het eerste gezicht absoluut niet duidelijk is. Een zin die zijn geheim niet gemakkelijk prijsgeeft. Het is het allereerste woord van Jezus in dit evangelie.

Commentatoren hechten als regel groot belang aan zo’n eerste Jezus-woord, dat, tussen haakjes, in ieder evangelie verschillend is.

Jezus zegt: Laat het gebeuren, want het betaamt ons, jou, Johannes, en mij, Jezus van Nazareth, het past ons alle gerechtigheid te vervullen.

Dat woord 'gerechtigheid' zul je in dit evangelie van Matteüs nog verschillende malen tegenkomen, telkens in de geheel eigen betekenis, die Matteüs eraan geeft. Als jullie gerechtigheid niet die van de farizeeën en schriftgeleerden overtreft… dan heb je een probleem, zo waarschuwt Jezus in de Bergrede.

Hier gebruikt Jezus dat woord 'gerechtigheid' als een antwoord op de goedbedoelde tegenwerping van Johannes. Vertaald in gewoner Nederlands zegt Jezus tegen hem: met de maatstaven van de wereld heb je groot gelijk. Maar mij bezielt een andere geest. In mijn opvatting, in mijn levensovertuiging, die van Godswege komt, 'buigt een zogenaamde meerdere voor de mindere'!

Nu zou je kunnen denken: Jezus heeft ons met zijn doop door Johannes een voorbeeld willen geven. Maar pas op! Hij voert hier niet een soort toneelstukje op, zo van: kijk, zo hoort het eigenlijk. Neen, hij drukt hier uit wie hij ten diepste is en wie hij wil zijn voor ons: namelijk, Dienaar. Als in een lichtfits zien we de verborgen roerselen van zijn ziel, ontwaren we in het intense verlangen om gedoopt te worden: de Zoon Gods, Jezus, die eerbiedig buigt voor de mens, Johannes.

In dit narratief laat God zich dan ook niet onbetuigd. Wat hier gebeurde wordt a.h.w. zichtbaar. Deze geest daalt neer, zoals een duif neer daalt. En het wordt hoorbaar, het krijgt een Stem. Een Stem, die citeert uit Jesaja, uit de Liederen van de Dienaar des Heren: zie, mijn dienaar, mijn Lieve liefste.

Wie een beetje vertrouwd is met de evangeliën kan gemakkelijk voorvallen aanhalen, waarin Jezus vaker nog deze levenshouding in praktijk heeft gebracht. Denk maar aan zijn omgaan met zieken en gehandicapten, met mensen aan de rand van de samenleving. Wat bij zijn doop gebeurt, vindt zijn weerklank en hoogtepunt tijdens de voetwassing bij het laatste avondmaal.

Ja, U heeft gelijk. Wat bij de doop gebeurde is ook een oproep aan ons, zijn volgelingen: die mentaliteit mag ook de onze worden. Wie de grootste wil zijn in mijn gemeenschap, zal Jezus later zeggen, moet de dienaar van allen worden; en: wie hongeren en dorsten naar deze gerechtigheid, zullen verzadigd worden.

Onze kerkgemeenschap zou een oefenplaats moeten zijn, waar deze innerlijke levenshouding gepraktiseerd en voortdurend ingeoefend kan worden.

  • Wie macht heeft zou hier moeten buigen voor wie machteloos is.
  • Wie gewijd is betone zich de mindere van wie dat niet is.
  • Wie gestudeerd heeft, dele zijn kennis zonder enige terughoudendheid met wie die kans niet heeft gehad.
  • Wie leiding geeft, buige voor ieder die hem of haar moet volgen.
  • Wie vader is of moeder en levenservaring bezit, achte het kind, dat nog onwetend is, hoger dan zichzelf.
  • Wie een thuis bezit, ere wie dakloos is.
  • Wie hier in dit land geboren is, mag zich de mindere achten van wie op de vlucht is voor moordend geweld.

Die houding van oprechte hoogachting voor iedere naaste, wie hij of zij ook is, wat ook hun levensinstelling mag zijn, die innerlijke houding moge steeds meer het  karakteristieke kenmerk  worden van alle kerkmensen.

JA, MAAR…

Waar blijven we dan? roept je gezond verstand uit.

Misschien is het goddelijk antwoord

op die (al te) menselijke vraag:

het Koninkrijk van God is (dan)

midden onder U.

 Amen

Copyright © 2020 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.