RK Wageningen

Zondag, 26 januari 2020

Tweede zondag van de Advent A

TWEEDE ZONDAG VAN DE ADVENT A

Jesaja  11:1-10

Matteüs 3:1‑13

Wageningen 2013

Als een asceet, en als een uiterst strenge boeteprediker, zó schildert Matteüs ons vandaag Johannes de Doper. Althans, zó komt hij bij ons over. Haastig als we zijn: ongeduldige, en oppervlakkige krantenlezers. Wie van ons heeft zojuist bij het voorlezen van het evangelie iets anders gehoord dan hel en verdoemenis? Was er wel goed nieuws in de tekst te bespeuren? De perikoop bevat inderdaad – bij een wat nauwkeuriger lezen van het verhaal – een rijke schat van hoopvolle informatie en kostbare beloften.

Maak eens een nieuw begin, zo opende Johannes uitnodigend zijn toespraak, want…  - zo wist hij - het Koninkrijk van God is vandaag dichterbij dan ooit! Heeft u met uw geestesoog die blije, hoopvolle trekken gezien op de gezichten van het toegestroomde volk? Van heinde en ver zijn ze gekomen: uit Jeruzalem, uit heel het Joodse land, zelfs vanuit het verre Overjordaanse gebied zijn er zoekers aanwezig.

En ze zijn hier, niet als ongeïnteresseerde voorbijgangers! Nee, ze zijn gekomen om gespannen te luisteren. Als deelnemers aan een plechtig ritueel zijn ze hier. Om een onderdompeling te ondergaan als belijdenis van hun tekort schieten als mens. Gedoopt willen ze worden als een nieuw begin van de rest van hun leven. En als klap op de vuurpijl krijgen ze te horen, Hij komt er aan, Hij, de sterkere dan Johannes de Doper, de menselijkste aller mensen: Onze Lieve Heer!

Wel maakt de evangelist een scherp onderscheid hoe Johannes 'de gewone mensen', het volk,  toespreekt en hoe hij aan de andere kant omgaat met 'hun leiders'. Pas als zíj op het toneel verschijnen, de farizeeën en de sadduceeën, pas als Johannes hén ziet, wordt zijn toon grimmiger. Pas dan! En alleen tegen hen!

Wat ons in dit verhaal zo zwaar op de maag ligt, zijn de woorden over dat kaf, dat in het niet te blussen vuur gegooid wordt, en die boom, waar de bijl al aan de wortel is gelegd. Ongenuanceerd betrekken we die woorden op ons zelf. We lezen ze als 'bedreigend', alsof jíj die boom zou zijn, die geen vrucht draagt, alsof jíj het kaf bent, dat nergens toe dient, het kwaad zelve!

Hoe moeten/ hoe kunnen we die beeld-taal dan wel verstaan?

Als je de activiteit van het wannen - dan al per se op je zelf wilt betrekken, kijk dan eens wat het doel van dat werk is volgens Johannes. De komende Messias – zegt hij - zal de dorstvloer - jou dus - door en door zuiveren! Hoort u het goede nieuws in die woorden? Mij klinkt die zin in de oren als woorden van een arts, die na de operatie zegt: chemo of bestraling is voor jou niet langer nodig, jij bent nu weer helemaal schoon. Goed nieuws, beter kan een patiënt nauwelijks ooit krijgen!

En laten we samen ook eens kijken naar bijbelse bomen, of liever, eerst maar naar de bomen nu, in dit winterseizoen, bij u in de tuin of in de straat of tijdens een wandeling in het bos…

Ze staan er kaal bij, die bomen, zo zonder hun bladerenkroon. Vooral nu die hevige storm van afgelopen donderdag over hen heen is gegaan, is hun fierheid weg. Sommige zijn misschien zelfs zwaar gehavend. Hun naakte takken houden ze smekend naar de hemel gericht.

Als beeld… wat zou zo'n ontluisterde boom, vandaag kunnen symboliseren? Mij doet ze me denken aan onze kerk, die al enige decennia de storm van secularisatie meemaakt, gebukt gaat onder de minachting van de spraakmakende gemeente, en die de pijn moet dragen van misbruik en corruptie!

Of moet (en mag) ik die winterse boom zien als beeld van mijn eigen zwakke geloof? Een eertijds zo'n fiere overtuiging, die in de loop der jaren door de gebeurtenissen in het leven aangetast is? Wellicht is die boom met zijn bijna-dood-ervaring, beelddrager zowel van de Kerk-nu als van ons eigen, huidige staan in die gemeenschap.

Is de bijl nu al aan de wortel gelegd? of vertegenwoordigt die boom eerder de biddende kerk, de wachtende mens, die uitziet naar een naderend lente… het Komende Rijk. Is de schijnbaar dode boom iets anders dan een toonbeeld van hoop, van wachten op Hij-die-komt, de sterkere-dan-ik, die ons gaat dopen met vuur van enthousiasme, dat niet te blussen valt; Hij-die-komt en zijn kerk zal laten bloeien als in een nieuwe lente?

Misschien bent u van plan de komende dagen een groene dennenboom te kopen om het huis met Kerstmis op te sieren… dan hebt u wellicht het evangelie van vandaag goed verstaan. De kale bomen in de tuin zijn niets anders dan pure belofte op nieuw leven.

De bijbelse boom is in verschillende boeken van de heilige Schrift een krachtig symbool. We vinden hem op verschillende plaatsen terug, in de prediking van Jezus zelf. Maar waar Johannes de Doper wellicht de inspiratie voor zijn toespraak heeft gevonden, is in Psalm 1.

De psalmist spreekt heel positief over een boom - als beeld van de gelovige mens. terwijl het kaf het negatieve in de mens representeert waarmee de mens verloren zou lopen als hij in zijn hart niet gezuiverd zou worden van dat kwaad.

PSALM 1

Gelukkig is de mens, die niet door het leven gaat

volgens de raad van de goddelozen,

die op de weg van de dwalenden niet is blijven staan

en niet is gaan zitten in de bijeenkomst van spotters.

Maar die zijn geluk vindt in de Thora van de Eeuwige

Die mens overpeinst zijn Thora, dag en nacht.

Hij zal zijn als een boom

die geplant is aan stromend water

Hij geeft vrucht op zijn tijd,

zijn blad verwelkt niet…

Neen, zo zijn de goddelozen niet,

maar als kaf, dat door de wind wordt weggedreven…

Want de Eeuwige kent de weg der rechtvaardigen,

En die levensweg is hem lief

maar de weg van goddeloosheid, die loopt dood.

Copyright © 2020 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.