RK Wageningen

Zondag, 26 januari 2020

Dertigste zondag door het jaar C

DERTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR C

Sirach 35:12-18

Lucas 18: 09‑14

Wageningen 2013

Zo op het eerste gezicht een eenvoudige parabel en de ook toepassing lijkt me duidelijk. Je zou de parabel zó kunnen samenvatten: het is – ook in de godsdienst – lang niet alles goud wat er blinkt. We weten daar in onze tijd  alles van. Je bent zelfs al niet meer verwonderd als de krant je steeds nieuwe schandalen weet te openbaren. Maar het doet wel pijn, telkens weer opnieuw, al die huichelachtigheid!

Toch, toen ik van de week deze parabel opnieuw bestudeerde, hem opnieuw probeerde te vertalen en er mediterend mee bezig was, stuitte ik op onverwachte moeilijkheden en zelfs op valkuilen! Want hoe vertaal en hoe lees je de eerste zin van de parabel: de farizeeër bad bij zichzelf? Versta je dat als: hij bad 'zachtjes in zichzelf', 'stilletjes voor zich uit'? Of lees je die uitdrukking wat cynischer: hij sprak meer met zichzelf dan met de Eeuwige? zoals sommige vertalers doen. Anderen horen er zelfs in: hij bad wel, maar met een schuin oogje naar die tollenaar.

En dan staat er: Godzijdank ben ik niet als al die andere mensen? Of betekent die zin: God, ik moet u bedanken, dat ik niet geboren ben in een crimineel gezin, want ik weet niet wat er dan van mij terecht was gekomen. Want - wees eens eerlijk - wie van ons heeft dat laatste nooit gedacht? en misschien zelfs wel eens gebeden? Trouwens wat zou daar mis mee zijn? God dankbaar zijn voor goede en vrome ouders?

We vertalen meestal nogal neutraal: ik ben niet 'als andere mensen', maar staat er niet letterlijk: ik ben niet als  'als de rest'? En dat klinkt wel erg denigrerend en hoogmoedig.

Zo met de tekst bezig, zag ik opeens de valkuil, die de parabel in zich draagt: als je niet drommels goed oppast, ga je nog denken en bidden: Godzijdank, ik ben niet als die farizeeër!

Ik begon me af te vragen: wat wil de Heer ons nou zeggen met die parabel? Waar zou Hij de nadruk op willen leggen? Is zijn boodschap vooral: Neem een voorbeeld aan de tollenaar? Hij, die zich viervoudig vernederde. Van verre bleef hij immers staan, durfde niet op of om te kijken, klopte zich op de borst, en bad heel timide: God wees mij zondaar genadig.

Zeker, die houding past ons allemaal. Denk maar – zegt Lucas elders – onnutte dienstknechten zijn we, want we hebben niet meer gedaan dan  dat wat ons was opgedragen, dat wat onze plicht was.

Of wilde Jezus vooral met die farizeeër ons een spiegel voor houden: lieve lezer, kijk eens in die spiegel! In hoeverre is die farizeeër jouw spiegelbeeld? De parabel zelf legt wel een heel zware nadruk op die biddende farizeeër. Uitvoeriger dan de tollenaar komt hij aan het woord. En echt! Hij huichelt niet, hij vertelt geen leugens, hij is een oprecht vroom man. In onze terminologie: hij is een trouwe kerkganger, hij doet zijn uiterste best zich aan de tien geboden te houden, hij is bereid ook zware financiële offers te brengen voor zijn eerlijke overtuiging. Kortom – zoals je dat zo vaak hoort zeggen: hij heeft altijd netjes geleefd en zelfs méér dan dat!

Als ik zijn woorden niet cynisch of neerbuigend vertaal en parafraserend weergeef, dan zegt hij zachtjes biddend zoiets als: God, U moet ik danken, dat ik in mijn leven niet geworden ben als sommige mensen, die minder geluk hebben gehad dan ik. Met uw hulp heb ik uw geboden kunnen onderhouden, heb ik niet op minderwaardige manier mijn geld hoeven te verdienen, zoals bijvoorbeeld die tollenaar. Genoeg geld heb ik zelfs verdiend om ruimhartig goede doelen te ondersteunen. Ook gaf u mij de kracht, de moed en het inzicht om mijn dagelijks leven sober in te richten.

Als ik zó zijn bidden lees en vertaal, is het niet eenvoudig om aan te geven wat er mis is met die man. Hij lijkt sprekend op ieder van ons in onze allerbeste ogenblikken! En toch… niet hij maar de tollenaar keert gerechtvaardigd naar huis.

Zou het kunnen zijn, dat ook wij misschien al te gemakkelijk over onszelf denken: ik ben zo slecht nog niet; natuurlijk ik heb mijn fouten en tekortkomingen, wie trouwens niet? maar in de grond van de zaak sta ik  - net aan de meeste andere, nette mensen - aan de goede kant.

Als we zó over onszelf denken, beginnen we dan niet gevaarlijk sterk te lijken op die farizeeër uit te parabel? Hebben we dan nog wel het gevoel, dat wij - ieder van ons - Gods barmhartigheid broodnodig hebben om onder zijn kinderen te mogen worden gerekend?

M.a.w. je kunt inderdaad op twee manieren naar de parabel kijken:

de eerste - en meest gangbare manier - is: die tollenaar is ons als voorbeeld ter navolging gegeven, daar - bij hem, bij die tollenaar- ligt het zwaartepunt van de parabel.

De tweede manier legt alle nadruk op de farizeeër. Hij is als een spiegel waar wij - als zogenaamde doorsnee kerkgangers - voortdurend in zouden moeten kijken.

Dat laatste is voorwaar geen vrolijke bezigheid! Zeker niet nu het woord farizeeër in onze taal zo’n absoluut negatieve klank heeft gekregen. En toch: weet je heel zeker dat hij, die farizeeër niet - op een of andere manier - spiegelbeeld mag en moet zijn van alle mensen, die zich christen noemen?

Houd bij het denken over jezelf, die twee maar bij elkaar: de tollenaar én de farizeeër. En bid dan maar: Moge Hij, die de Barmhartigheid zelve is, ook ons, trouwe kerkgangers, genadig zijn.

Copyright © 2020 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.