RK Wageningen

Maandag, 20 januari 2020

Drieëntwintigste zondag jaar C

DRIEËNTWINTIGSTE ZONDAG JAAR C

Lucas 14:25‑33

               Wageningen 2013

Veenendaal 2013

Ik weet natuurlijk niet met welke stemming en met welke verwachting u vandaag naar de kerk bent gekomen. Maar ik vermoedt, dat velen van u hopen op een bemoedigend woord al dan niet uit de Schrift, op een geestelijk moment, waarop u uw hart kunt uitstorten bij de Heer en uw verlangens en uw zorgen neer kunt leggen bij de Eeuwige, die voor zijn mensen op komt en troost schenkt.

Het zou dan ook best kunnen zijn, dat bij het horen van het evangelie van deze zondag, alle hoop en alle verwachtingen de bodem zijn ingeslagen: zulke harde woorden, zo'n onmogelijke eis om te breken met de mensen, die je het dierbaarst zijn en die het dichts bij je staan: je vrouw, je man, je bloedeigen kinderen, je broers en je zusters en dan ook nog eens je eigen leven loslaten!

Zó kennen we Jezus toch niet! Zó is hij ons toch niet gepredikt? We hebben altijd gehoord, dat hij het geknakte riet niet breekt, de walmende pit niet dooft, dat hij medelijden heeft met de menigte, omdat ze zijn 'als schapen zonder herder'. We kennen hem als iemand met een warm hart voor zieken en gebrekkigen, met een liefdevolle aandacht voor tollenaars en zondaars en met een open oog voor onze zwakke poging om het goede te doen… En nu dit: een hard en bijna meedogenloze eis… Wat is hier aan de hand?

Jezus baant zich nog steeds moeizaam een weg naar Jeruzalem, een pelgrimstocht. Niet een vrolijke bedevaart naar een of ander heiligdom, maar hij weet dat hij op weg is naar een grimmige dood, naar een lijdensweg, waar hij op voorhand al bijna dreigt te bezwijken. En, als een schrijnende tegenstelling, om hem heen een grote, vrolijke en opgetogen mensenmassa, die met hem meetrekt, in de verwachting, dat hij nu Jeruzalem zal veroveren en het koninkrijk van David zal herstellen.

In die dramatische en tragische situatie versta ik de woorden van Jezus zo: zelfs al zou mijn moeder Maria, met tranen in haar ogen mij nu - op dit ogenblik - zou smeken (wat ondenkbaar is): 'Kind, vlucht naar het buitenland, en probeer elders de goede boodschap van God te verspreiden, of duik onder en ga in ieder geval niet naar Jeruzalem. Doe mij toch die schande niet aan'… zelfs áls… dan zou ik, Jezus van Nazaret, met haar breken en zeker haar goedbedoelde raad niet opvolgen. Hier is een trouw in het geding aan de zending, mij door God gegeven. Een opdracht, die zelfs de liefde van een kind voor zijn moeder te boven gaat.

In uitzonderlijke situaties kunnen ook gewone stervelingen voor een dergelijke - bijna onmogelijke - opgave gesteld worden. Tijdens een oorlog bijvoorbeeld, in een periode van vervolging, in een situatie, waarin aan weerloze naasten groot onrecht wordt aangedaan.

Mensen, die iets dergelijks in hun leven meemaken, zijn - op zijn zachtst gezegd - verre van te benijden. Denk maar aan mensen in concentratiekampen, aan politieke gevangenen, aan vervolgden omwille van hun geloof. En - zegt Jezus tegen al die brooddronken mensen, die met hem naar Jeruzalem reizen - denk maar niet, dat jou als volgeling en leerling van mij zoiets nooit kan overkomen. Integendeel.

Elders in het evangelie geeft Jezus ons een lieve en goede raad: bid maar, dat iets dergelijks van jou niet gevraagd wordt. Zeg maar in je gebed: leid ons niet in de bekoring, verlos ons van het kwaad.

De liturgie van vandaag laat aan dit strenge evangelie een passage voorafgaan uit het boek 'De Wijsheid'. Dat boek was tamelijk nieuw in Jezus' tijd. Je kon dat boek toen 'moderne literatuur' noemen. U hebt er in de eerste lezing uit horen voorlezen.

In zijn jonge jaren begreep koning Salomo, dat hij in zijn leven grote wijsheid nodig had om zijn taak in de wereld naar behoren te vervullen en om daarbij de juiste keuzes te kunnen maken. De auteur van het Boek De wijsheid laat Salomo aan het woord, als hij aan het bidden is om die wijsheid.

Met wijsheid is hier niet zoiets bedoeld als 'verstand komt met de jaren', en zelfs niet de wijsheid van een ouder iemand, die veel heeft meegemaakt in zijn leven. Neen, het gaat hier om wijsheid, die geen enkele mens op eigen kracht kan verwerven. Het gaat hier over wijsheid, die alleen Gód ons als een kostbaar en onverdiend geschenk kan geven.

Wat Salomo hier vraagt, is: God, mag ik deel hebben aan úw wijsheid. Want alleen met behulp van uw wijsheid kunnen wij uw wil kennen. Alleen met behulp van uw wijsheid kunnen wij de weg vinden naar u toe. Alleen zó leren wij kennen, wat u welgevallig is. Alleen langs het pad van uw wijsheid kunnen wij naderen tot u. Om die ware wijsheid bidden we in deze dienst.

In het licht van die goddelijke wijsheid vat Jezus zijn boodschap aan het eind van het evangelie van vandaag nog eens samen voor het leven van alledag. Hij zegt daar: niemand van jullie kan mijn leerling zijn, als hij niet al wat hij bezit loslaat.

En wat bedoelt hij daarmee? Ik versta dat zo: dat we geleidelijk aan - al levend en al biddend en lerend van onze ervaringen - dat we erin slagen niets in het leven absoluut te stellen, zelfs niet onze eigen lijf en onze eigen gezondheid, laat staan ons geld of onze welvaart. Maar ook onze relaties niet. Zelf niet de relaties binnen het gezin, waarin we nu leven, of waaruit we indertijd zijn voortgekomen. Ook zij zijn niet ons allerhoogste goed op aarde.

Of anders gezegd: de woorden van Jezus, die we in het evangelie van vandaag gehoord en overwogen hebben, zijn niets anders dan het commentaar van Jezus bij de Oudtestamentische tekst: gij zult de Heer uw God liefhebben met geheel uw hart, met geheel uw ziel met heel uw verstand en met al uw kracht. En het op één na belangrijkste gebod is dit: Gij zult uw naasten liefhebben als u zelf.

Copyright © 2020 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.