OPENING VAN DE VIERING
Openingszang:
1. Requiem
Requiem aeternam dona eis Domine; et lux perpetua luceat eis.
Te decet hymnus Deus in Sion et tibi reddetur votum in Jeruzalem;
exaudi orationem meam, ad te omnis caro veniet.
Requiem aeternam dona eis Domine; et lux perpetua luceat eis.
Schenk hen de rust voor altijd, Heer,
en laat het licht hen voor immer verlichten.
Op de Sion klinkt een lied voor U, God,
in Jeruzalem verheft men zijn stem om U te danken,
U hoort naar ons bidden,
tot U richt zich al wat leeft.
Schenk hen de rust voor altijd, Heer,
en laat het licht hen voor immer verlichten.
2. In rouw en eerbied - tekst: J. van Opbergen; muz.: Ik sta voor U
1. In rouw en eerbied zijn wij hier bijeen,
om kracht en troost en om geloof verlegen.
Een zeer geliefde mens ging van ons heen,
één die ons was en blijven zal tot zegen.
Wij blijven achter, maar dat niet alleen,-
zijn liefde komen wij opnieuw weer tegen.
2. U, Eeuwige, die bron van leven zijt,
van leven om het met elkaar te delen -
Gij wilt ons aan uw toekomst toegewijd,
dat wij de minste mens zijn toegenegen.
Is daarmee alles van onszelf gezegd?
Ach wij, wij zullen tot U wederkeren.
1. Ik sta voor U in leegte en gemis,
vreemd is uw naam, onvindbaar zijn uw wegen.
Gij zijt mijn God, sinds mensenheugenis -
dood is mijn lot, hebt Gij geen an’dre zegen?
Zijt Gij de God bij wie mijn toekomst is?
Heer, ik geloof, waarom staat Gij mij tegen?
2. Mijn dagen zijn door twijfel overmand,
ik ben gevangen in mijn onvermogen.
Hebt Gij mijn naam geschreven in uw hand,
zult Gij mij bergen in uw mededogen?
Mag ik nog levend wonen in uw land,
mag ik U eenmaal zien met nieuwe ogen?
3. Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft,
dat mij bevrijdt en opneemt in Uw vrede.
Open die wereld die geen einde heeft,
wil alle liefde aan uw mens besteden.
Wees Gij vandaag mijn brood, zowaar Gij leeft -
Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.
Groet en inleiding
Om ontferming
Gebed
4. God keer U tot ons
Voorzang:
1.God, keer U tot ons en richt ons weer op
wij zijn ten dode, wij zijn verslagen.
Gij alleen kunt ons leven redden.
Refr: 1. voorzang, 2. allen:
Heer, ontferm U over ons. Heer, ontferm U over ons.
2.God, houd Uw hand omhooggeheven,
opdat ik zal leven en niet zal sterven
en ik zal zingen van Uw goedheid: refrein
3.Hier is de poort die gaat naar U toe,
alle rechtvaardigen laat Gij er binnen,
open Uw poort en zij zullen leven: refrein
5.Bidden wij over dit huis
Bidden wij over dit huis
waarin wij zijn samengekomen
dat het een plaats van ontferming mag zijn
waarin wij ons in God geborgen weten.
allen: Heer ontferm U over ons,
Heer ontferm U over ons, Heer ontferm U over ons.
Bidden wij over de woorden
die hier voor ons zullen klinken
dat zij ons vertrouwd maken
met de wijze waarop God met mensen omgaat.
allen: Heer ontferm U over ons.
Bidden wij over allen die hier niet aanwezig zijn;
over de wereld die ons lief is
dat vrede en recht er het teken worden
van Gods aanwezigheid.
allen: Heer ontferm U over ons.
Slotgebed
allen: Amen, amen.
6. Kyrie Eleison
Kyrie eleison
Christe eleison
Kyrie eleison
Heer, ontferm U
Christus, ontferm U
Heer, ontferm U
WE GEDENKEN
Teken van licht
8. Zo vriendelijk en veilig -
tekst: H. Oosterhuis - muz.: B. Huijbers
1. Zo vriendelijk en veilig als het licht
zo als een mantel om mij heen geslagen
zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht,
ik roep zijn naam, bestorm Hem met mijn vragen,
dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.
Wil mij behoeden en op handen dragen.
2. Want waar ben ik als Gij niet wijd en zijt
waakt over mij en over al mijn gangen.
Wie zou ik worden, waart Gij niet bereid
om, als ik val, mij telkens op te vangen.
Ik leef niet echt als Gij niet met mij zijt.
Ik moet in lief en leed naar U verlangen.
3. Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft,
dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.
Ontsteek die vreugde die geen einde heeft,
wil alle liefde aan uw mens besteden.
Wees Gij vandaag mijn brood, zowaar Gij leeft -
Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.
9. Lied aan het licht -
tekst: H. Oosterhuis;
muz.: A. Oomen
1. Licht dat ons aanstoot in de morgen,
voortijdig licht waarin wij staan,
koud, één voor één, en ongeborgen,
licht overdek mij, vuur mij aan.
Dat ik niet uitval, dat wij allen
zo zwaar en droevig als wij zijn
niet uit elkaars genade vallen
en doelloos en onvindbaar zijn.
2. Licht, van mijn stad de stedehouder
aanhoudend licht dat overwint.
Vaderlijk licht, steevaste schouder,
draag mij, ik ben jouw kijkend kind.
Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen
of ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen
en elk zijn naam in vrede draagt.
3. Alles zal zwichten en verwaaien
wat op het licht niet is geijkt.
Taal zal alleen verwoesting zaaien
en van ons doen geen daad beklijft.
Veelstemmig licht, om aan te horen
zolang ons hart nog slagen geeft.
Liefste der mensen, eerstgeboren,
licht, laatste woord van Hem die leeft.
10. Lux eaterna
Lux aeterna luceat eis, Domine, cum sanctis tuis in aeternum, quia pius es.
De profundis clamavi ad te, Domine, exaudi vocem meam.
(Het eeuwige licht verlichte hen, Heer,
met Uw heiligen in eeuwigheid, omdat Gij vol liefde zijt.
Uit de diepte roep ik U Heer:
Heer luister naar mijn stem.)
11. Heer, herinner U de namen -
tekst: M. Verdaasdonk;
muz.: H. Strategier
1. Heer, herinner U de namen
van hen die gestorven zijn,
en vergeet niet dat zij kwamen
langs de straten van de pijn,
langs de wegen van het lijden,
door het woud der eenzaamheid
naar het dag en nacht verbeide
Vaderhuis, hun toebereid.
2. Heer, herinner U hun luist’rend
wakker liggend in de nacht
en hun roepen in het duister,
de armzaalgheid van hun kracht,
en wil zeer aandachtig lezen
in de rimpels van hun huid
de verscheurdheid van hun wezen
en diep heel hun leven uit.
12. Geef alle ruimte aan de liefde - tekst: J. van Opbergen; muz.: Komt ons in diepe nacht
1. Geef alle ruimte aan de liefde,
in haar leeft God zich naar ons toe.
Vergeef het kwaad van wie jou griefde,
de liefde wordt een mens niet moe.
Zij zal de dood nog overleven,
geen water blust haar vlammen uit,
zij blijft ons tot elkander keren,
tot alle angst is uitgeluid.
2. Hoe zal een mens ooit overleven,
wat moet hij aan met eeuwigheid?
Door liefde wordt het ons gegeven
voorbij te zien aan dood en tijd.
Want wie vandaag weet te beminnen,
vraagt niet: “Hoe zal het morgen zijn?”
Het wordt een eeuwig herbeginnen,
tot wij voorgoed geboren zijn.
13. Heer die mij ziet
Heer die mij ziet zoals ik ben,
dieper dan ik mijzelf ooit ken.
Gij kent mij, Gij weet waar ik ga;
Gij volgt mij waar ik zit of sta.
Wat mij ten diepste houdt bewogen,
‘t Ligt alles open voor uw ogen.
Gij zijt zo diep vertrouwd met mij:
Wie weet mijn wegen zoals Gij?
Gij kent mijn leven woord voor woord,
Gij hebt mij voor ik spreek gehoord.
Ja overal op al mijn wegen,
en altijd weer komt Gij mij tegen.
Ik loof U die mijn schepper zijt,
Die met uw liefde mij geleidt,
Gij hebt mijn oerbegin aanschouwd,
in ‘t diepst der aarde opgebouwd.
Niets blijft er voor uw oog verborgen.
Ja, Gij omringt mij met uw zorgen.
DIENST VAN HET WOORD
We lezen uit de Heilige Schrift
Tussenzang
14. Psalm 23-I - tekst: Ida Gerhardt en Marie v.d. Zeyde;
muz.: A. Werbrouck .
Refrein: De Heer is mijn herder,
mij zal niets ontbreken.
1. De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken.
Hij wijst mij te liggen in grazige weiden,
Hij voert mij naar wateren der rust.
Hij behoedt mijn ziel voor verdwalen. Refrein
2. Hij leidt mij in sporen van waarheid
getrouw aan zijn naam. Moest ik gaan door het dal van de schaduw des doods,
kwaad zou ik niet vrezen.
Want naast mij gaat Gij,
uw stok en uw staf zij doen mij getroost zijn. Refrein
3. Een tafel richt Gij mij aan in het aangezicht van mijn belagers
en zalft met olie mijn hoofd. Mijn beker vloeit over. Refrein
4.Zo zijn dan geluk en genade
om mijn schreden al
de dagen mijns levens.
Verblijven mag ik in het huis van de Heer
tot in lengte van dagen. Refrein
15. Psalm 23 III (vs. 1-4)
Refrein: Want mijn Herder is de Heer: nooit zal er mij iets ontbreken
1. Mijn herder is de Heer
het ontbreekt mij aan niets.
Hij legt mij in grazige weiden,
Hij geeft rust aan mijn ziel,
Hij leidt mij naar rustige waat’ren
om mijn ziel te verkwikken.
Refrein
2. Hij leidt mij in het rechte spoor
omwille van zijn Naam.
Al moet ik door donkere dalen,
ik vrees geen kwaad.
Uw staf en Uw stok zijn mijn troost,
Gij zijt steeds bij mij. Refrein
3. Gij bereidt voor mij een tafel
voor het oog van mijn vijand.
Gij zalft met olie mijn hoofd
en mijn beker vloeit over. Refrein
4. Mij volgen uw heil en uw mildheid
al de dagen van mijn leven.
In het huis van mijn Heer wil ik wonen
tot in lengte van dagen.
Refrein
16. Psalm 25-I - tekst: Vijftig psalmen; muz.: B. Huijbers
Refrein: Naar U gaat mijn verlangen, Heer,
Heer, mijn God, ik ben zeker van U.
1. Zoudt Gij ooit mij te schande maken,
neen, voor allen die op U wachten
zijt Gij een goede en betrouwbare God.
Refrein
2. Maak mij, Heer, met uw wegen vertrouwd,
zet mij op het spoor van uw waarheid.
Zend mij uw licht en uw trouw tegemoet.
Refrein
3. Steeds weer zoeken mijn ogen naar U,
hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden,
eeuwige God, wij willen U zien. Refrein
17. Psalm 25 II - tekst: Vijtig psalmen; muz.: B. Huijbers
Refrein:Naar U gaat mijn verlangen, Heer.
1. Richt mij, Gij zijt de God die mij redt
en op U wacht ik een leven lang. Refrein
2. Herinner U, hoe Gij barmhartig zijt geweest,
hoe een en al liefde van meet af aan. Refrein
3. Goede en betrouwbare God,
wie afgedwaald is, wijst Hij de weg.
4. Arme en ootmoedige mensen
spoort Hij aan zijn weg te houden Refrein
5. Alle wegen van God zijn liefde en trouw
voor wie bewaren het woord van zijn verbond.
Refrein
18. Psalm 91 - tekst: Vijftig Psalmen; muz.: M. Pirenne
Koor:
1. Wie woont onder de hoede van de allerhoogste God,
wie overnacht in de schaduw van God Almachtig,
hij zegt tot de Heer:mijn toevlucht zijt Gij,
mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.
Refrein:
Mijn God, op U stel ik heel mijn vertrouwen.
2. Hij zal U dekken met zijn vleugels,
onder zijn wieken vindt gij uw veiligheid. Refrein
3. Bij nacht en ontij zult gij niet bang zijn,
en vrees overdag geen aanval in de rug. Refrein
4. Klamp je maar vast aan Hem, Hij zal ons redden,
Wij zullen leven tot in lengte van dagen. Refrein
5. Wie woont onder de hoede van de allerhoogste God,
hij zegt tot de Heer: mijn toevlucht zijt Gij. Refrein
19. Psalm 103 II - tekst: Vijftig Psalmen; muz.: B. Huijbers
Refrein
Barmhartige Heer, genadige God.
1. Ja, wat de hemel is voor de aarde,
dat is zijn liefde voor hen die geloven. Refrein
2. Zover als het oosten van het westen vandaan is,
zover van ons werpt Hij al onze zonden. Refrein
3. Hij kent ons toch, Hij is niet vergeten
dat wij gemaakt zijn uit het stof van de aarde. Refrein
4. Mensen, hun dagen zijn als het gras,
zij bloeien als bloemen in het open veld;
dan waait de wind - en zij zijn verdwenen. Refrein
5. Maar duren zal de liefde van God
voor allen die zijn verbond bewaren,
zijn woord behartigen en het volbrengen. Refrein
20. Psalm 103 III - tekst: Vijftig Psalmen; muz.: B. Huijbers
1. Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden,
eeuwige God, wij willen U zien.
Geef ons vandaag een teken van liefde.
Allen:
Eeuwige God, wij willen U zien,
geef ons vandaag een teken van liefde.
Koor:
3. Want wat de hemel is voor de aarde,
dat is uw liefde voor hen die geloven.
Allen:
4. Geef ons vandaag een teken van liefde.
Koor:
5. Gij, de vergeving van alle zonden,
recht en gerechtigheid voor deze wereld.
Allen:
6. Gij de vergeving van alle zonden,
geef ons vandaag een teken van liefde.
Koor:
7. Gij kent ons toch, Gij zult niet vergeten,
dat wij uw mensen zijn, Gij, onze God.
Allen:
8. Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden,
eeuwige God, wij willen U zien.
Geef ons vandaag een teken van liefde.
21. Psalm 126 - tekst: Vijftig Psalmen; muz.: B. Huijbers
Refrein
Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap,
dat zal een droom zijn. Als God ons thuisbrengt
uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn.
1. Wij zullen zingen, lachen, gelukkig zijn.
Dan zegt de wereld: ‘Hun God doet wonderen.’
Ja, Gij doet wonderen, God in ons midden,
Gij onze vreugde. Refrein
2. Breng ons dan thuis,
keer ons tot leven,
zoals rivieren in de woestijn
die, als de regen valt, opnieuw gaan stromen.
3. Wie zaait in droefheid zal oogsten in vreugde.
Een mens gaat zijn weg en zaait onder tranen.
Zingende keert hij terug met zijn schoven. Refrein
22. Beurtzang: Roept God een mens tot leven - tekst: H. Oosterhuis; muz.: M. Vulpius(1609) en B. Huijbers
Mel. A: koor
1. Roept God een mens tot leven,
wie weet waarom en hoe,
hij moet zichzelf prijsgeven,
hij leeft ten dode toe.
Mel. A: allen
2. Gods woord roept door de tijden
zijn volk en grijpt het aan.
Hij doet het uitgeleide,
het moet de zee ingaan.
Mel. B: koor
3. Geroepen en verzameld
uit dood en slavernij,
gedoopt in woord en water:
dat volk van God zijn wij.
Allen A:
4. Wij werden nieuw geboren,
toen de mens Jezus kwam,
die als een slaaf de zonde
der wereld op zich nam.
Koor B:
5. Met hem in geest en water
tot zoon van God gewijd,
zijn wij met hem begraven,
verrezen voor altijd.
Allen A:
6. Gestorven voor de zonde,
in Jezus’ bloed vereend
en met elkaar verbonden,
levend voor God alleen.
Koor B:
7. Wie Jezus’kelk wil drinken,
zijn doop wil ondergaan,
zal in de dood verzinken
en uit die dood opstaan.
Allen A:
8. Hij zal zijn leven geven,
hij maakt zichzelf tot brood-
hij sterft en an’dren leven,
hij overleeft de dood.
Koor B:
9. Wie weerloos in de aarde
als graan gestorven is,
wordt tot het brood verzameld
dat aller leeftocht is.
Allen A:
10.O Heer, Gij zult ons breken
en geven aan elkaar.
Uw tafel is het teken,
uw vrijmacht maakt het waar.
Acclamatie bij het evangelie
23. Dit ene weten wij
Dit ene weten wij
en aan dit één houden wij ons vast
in de duistere uren:
Er is een woord dat eeuwiglijk zal duren
en wie 't verstaat,
die is niet meer alleen.
24. Niemand leeft voor zichzelf
Niemand leeft voor zichzelf,
niemand sterft voor zichzelf.
Wij leven en sterven voor God onze Heer:
aan Hem behoren wij toe!
25. U komt de lof toe - tekst: H. Oosterhuis; muz.: B. Huijbers
U komt de lof toe, U het gezang,
U alle glorie, o Vader, o Zoon, o Heilige Geest,
in alle eeuwen der eeuwen.
DIENST VAN DE TAFEL
Eucharistisch gebed 1: Wij noemen Uw naam
V. De Heer zal bij u zijn.
A. De Heer zal u bewaren.
V. Verheft uw hart.
A. Wij zijn met ons hart bij de Heer.
V. Brengen wij dank aan de Heer onze God.
A. Hij is onze dankbaarheid waardig.
V. Heilige Vader, machtige eeuwige God. Om recht te doen aan Uw heerlijkheid, om heil en genezing te vinden, zullen wij U danken, altijd en overal, door Christus onze Heer.
Want Hij, die uit de dood is opgestaan, Hij is het licht der wereld, onze enige hoop; in onze angst, omdat wij moeten sterven, troost ons Uw belofte, dat wij eens onsterfelijk zullen zijn met Hem. Gij neemt het leven, God, niet van ons af. Gij maakt het nieuw, dat geloven wij op Uw woord; en als ons aardse huis -ons lichaam- afgebroken wordt, heeft Jezus al een plaats voor ons bereid in Uw huis, om daar voorgoed te wonen. Daarom, met alle engelen, machten en krachten, met allen die staan voor Uw troon, loven en aanbidden wij U en zingen U toe met de woorden:
Sanctus, sanctus, sanctus Dominus Deus Sábaoth. Pleni sunt caeli et terra gloria tua Hosanna in excelis.Benedictus qui venit in nomine Domini. Hosanna in excelsis.
Heilig, heilig, heilig, Heer der hemelse machten. Hemel en aarde zijn vol van Uw heerlijkheid. Hosanna in den hoge. Gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren. Hosanna in den hoge.
V. Wij noemen Uw naam, Heer, onze God. Wij zegenen U, dit uur, deze dag, die Gij ons geeft. Wij aanbidden U, verdoofd of gelaten, vervreemd of opstandig, vol geloof en ongeloof tegelijk.
Gij zijt een God van levenden, Gij hebt U niet geschaamd om onze God te zijn, eeuwig en trouw, op leven en dood, in goede en kwade dagen. Zoudt Gij Uw Naam dan niet gestand doen en genadig zijn voor .....?
A. Dat bidden wij U omwille van Jezus Christus, onze broeder, Uw beminde Zoon, die Gij geroepen en gezonden hebt om ons voor te gaan naar U. Die, mens geworden en beproefd, in lief en leed aan U heeft vastgehouden, die alles heeft volbracht, ons leven, onze dood. Die zich met hart en ziel aan deze wereld heeft gegeven.
V. Want in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, heeft Hij brood in Zijn handen genomen. Hij heeft Zijn ogen opgeslagen naar U, God, Zijn almachtige Vader. Hij heeft U dank gezegd, het brood gebroken, en het aan Zijn vrienden uitgedeeld met de woorden:
Neemt en eet hiervan, gij allen, want dit is Mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt.
V. Zo nam Hij na de maaltijd ook de kelk, sprak opnieuw de dankzegging uit, en gaf hem aan Zijn leerlingen met de woorden:
Neemt deze beker en drinkt hier allen uit, want dit is de beker van het nieuwe, altijddurende Verbond. Dit is Mijn Bloed, dat voor u en alle mensen wordt vergoten to vergeving van de zonden. Blijft dit doen om Mij te gedenken.
Verkondigen wij het mysterie van ons geloof:
A. Als wij dan eten van dit brood en drinken uit deze beker, verkondigen wij de dood des Heren, totdat Hij komt.
V. Daarom Heer, onze God, stellen wij hier dit teken van ons geloof, en daarom gedenken wij nu het lijden van Uw zoon, dat Hij gekruisigd en begraven is, maar bovenal dat Gij Hem uit de dood , die afgrond, hebt gered; dat Hij voor ons geworden is: een Naam verheven boven alle namen, een mens van vrede, die bij U leeft en voor ons bidt, die komen zal om alles nieuw te maken; dan zal er geen verdriet, geen dood, meer zijn. Hij zal ons allen, levenden en doden, roepen bij onze namen op de dag die Gij hebt vastgesteld.
A. Wij bidden U, Heer onze God, zend in ons allen zijn levenskracht, Uw heilige Geest, opdat wij hoopvol en vastberaden mogen verder gaan op de weg van het leven, en elkaar vasthouden en waken dat geen van uw mensen verloren loopt.
En dat wij, door Jezus en met Hem en in Hem, U mogen vinden, en dicht bij U allen die ons zijn voorgegaan.
Dat wij U mogen zien en met U spreken God, zoals een mens spreekt met een mens, dat bidden en smeken wij U, dit uur en tot in eeuwigheid. Amen.
V. Laten wij bidden tot God, onze Vader, met de woorden die Jezus ons gegeven heeft:
Onze Vader
Onze Vader, die in de Hemel zijt;
uw naam worde geheiligd;
uw rijk kome;
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;
en leid ons niet in bekoring; maar verlos ons van het kwade.
Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid
in eeuwigheid. Amen.
Eucharistisch gebed II: Christus is gestorven opdat wij leven.
V. De Heer zal bij u zijn
A. De Heer zal u bewaren
V. Verheft uw hart.
A.Wij zijn met ons hart bij de Heer.
V. Brengen wij dank aan de Heer onze God.
A.Hij is onze dankbaarheid waardig.
Heilige Vader, machtige eeuwige God, om recht te doen aan uw heerlijkheid, om heil en genezing te vinden zullen wij U danken, altijd en overal door Christus onze Heer.
Hij alleen heeft de dood aanvaard om allen voor de dood te behoeden. meer nog: Hij alleen heeft willen sterven opdat wij allen eeuwig voor U leven. Daarom met de koren van engelen, loven en aanbidden wij U en zingen vol vreugde:
Heilig, heilig, heilig, Heer der hemelse machten. Hemel en aarde zijn vol van uw heerlijkheid. Hosanna in den hoge. Gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren. Hosanna in den Hoge.
Sanctus, sanctus, sanctus Dominus Deus Sábaoth. Pleni sunt caeli et terra gloria tua Hosanna in excelis.Benedictus qui venit in nomine Domini. Hosanna in excelsis.
Gij zijt waarlijk heilig, onze Heer, de bron van alle heiligheid. Heilig dan deze gaven met de dauw van uw uw heilige Geest, dat zij voor ons worden tot Lichaam en Bloed van Jezus Christus onze Heer.
Toen Hij werd overgeleverd en vrijwillig zijn lijden op zich nam, nam Hij het brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het aan zijn leerlingen met deze woorden:
Neemt en eet hiervan, gij allen, want dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt.
Zo nam Hij na de maaltijd ook de kelk, sprak opnieuw de dankzegging uit, en gaf hem zijn leerlingen met deze woorden:
Neemt deze beker en drinkt hier allen uit, want dit is de beker van het nieuwe altijddurende verbond, dit is mijn Bloed dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden. blijft dit doen om mij te gedenken.
Verkondigen wij het mysterie van het geloof.
A. Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt.
Zijn dood en verrijzenis indachtig, God, bieden wij U aan het levensbrood en de kelk van het heil . wij danken U omdat Gij ons waardig keurt om voor Uw aangezicht te staan en uw heilige dienst te verrichten. Zó delen wij in het Lichaam en Bloed van Christus en wij smeken U dat wij door de Heilige Geest worden vergaderd tot één enige kudde.
Denk toch, Heer, aan Uw kerk, verspreid over de hele wereld, dat haar liefde volkomen wordt, één heilig volk met onze paus en onze bisschoppen en allen die uw heilig dienstwerk verrichten. Gedenk….. die Gij uit deze wereld tot U geroepen hebt. Laat hem/haar, die in de doop met Christus gestorven en herboren is nu ook verrijzen tot nieuw leven met uw Zoon.
Gedenk ook onze broeders en zusters die reeds ontslapen zijn in de hoop der verrijzenis, ja alle gestorvenen dragen wij op aan uw zorg. Neem hen aan en laat hen verschijnen in het licht van uw gelaat. Wij vragen U, ontferm U over ons allen opdat wij tezamen met de maagd Maria, de moeder van Christus, met de apostelen en met alle heiligen die hier eens leefden in uw welbehagen, waardig bevonden worden het eeuwig leven deelachtig te zijn en U loven en eren.
Door Jezus Christus, uw Zoon.
Door Hem en met Hem en in Hem zal uw naam geprezen zijn, Heer onze God, almachtige Vader, in de eenheid van de heilige Geest hier en nu en tot in eeuwigheid. Amen
Onze Vader
Onze Vader, die in de Hemel zijt;
uw naam worde geheiligd;
uw rijk kome;
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;
en leid ons niet in bekoring; maar verlos ons van het kwade.
Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid
in eeuwigheid. Amen.
Communiegebed: Gij die weet
V. Gij die weet wat in mensen omgaat
aan hoop en verlangen,
onmacht, verdriet en pijn.
Gij die ons denken peilt
en ieder woord naar waarheid schat,
en wat onzegbaar is onmiddellijk verstaat
Gij toetst ons hart
en Gij zijt groter dan ons hart,
op elk van ons houdt Gij uw oog gericht
en niemand, of hij heeft een naam bij U
en niemand leeft, of hij leeft naar U toe,
en niemand sterft, of hij is geborgen in uw hand.
A. Maar nooit heeft iemand U gezien,
in dit heelal zijt Gij onhoorbaar.
En diep in de aarde klinkt uw stem niet.
En uit de hoogte ook niet.
En niemand die de dood is ingegaan
keerde ooit terug om ons van U te groeten.
V. Gij die weet wat in ons is en ook verstaat
wat nooit gezegd kan worden,
hoor onze ziel die wacht en bidt
en die zich wendt en keert en zoekt naar U.
A. Wij gaan de wereld door met dichte ogen,
maar soms herinneren we ons een naam,
een oud verhaal dat ons is doorverteld,
over een mens die vol was van uw kracht,
Jezus van Nazareth.
V. In Hem is uw genade verschenen,
uw mildheid en trouw.
In Hem is voorgoed aan het licht gekomen,
hoe Gij bestaat: weerloos en kwetsbaar,
dienaar van mensen.
Zoals Hij was, zouden wij willen zijn:
een mens van God, een vriend,
één die niet ten eigen bate geleefd heeft
en niet vergeefs onvruchtbaar is gestorven.
Eén die in de laatste nacht
dat Hij nog leefde,
brood gebroken heeft en uitgedeeld
als beeld van zijn leven en sterven
en heeft gezegd:
zo zult gij doen tot mijn gedachtenis.
A. Tot zijn gedachtenis
nemen wij daarom dit brood
en breken het voor elkaar,
om zijn leven en sterven te gedenken,
en in Hem het leven en sterven van allen,
die ons voorgingen.
V. Als Gij Hem hebt gered van de dood, God,
als Hij dood en begraven, toch leeft bij U:
red dan ook ......
en allen die ons ontvielen,
en haal ook hen door de dood heen,
dat zij leven bij U.
En red dan ook ons
en houd ons in leven;
maak ons nieuw,
want waarom Hij wel en wij niet,
wij zijn toch ook uw mensen.
Onze Vader
Onze Vader, die in de Hemel zijt;
uw naam worde geheiligd;
uw rijk kome;
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;
en leid ons niet in bekoring; maar verlos ons van het kwade.
Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid
in eeuwigheid. Amen.
Communiegebed: Wat zullen wij tot U zeggen
V. Wat zullen wij tot U zeggen, onze God.
U die genoemd wordt. God van mensen,
U hebt gezegd: Ik zal er zijn.
U voert ons door nacht en woestijn,
door angst en verdriet,
naar een land van rust, een stad van vrede;
A. U wacht op ons in leven en sterven; achter de horizon bent U er met open armen, een en al Liefde. U kent ons hart dat wankelt, het verdriet dat ons verlamt.
V. U leeft met ons mee in vreugde of verdriet, alle levenden roept U bij name
opdat zij zich verheugen in U. U bent er altijd, elk uur,
al sinds mensenheugenis.
Wij zijn van stof en onze dagen zijn als het gras, maar
U verloochent niet het werk van uw handen. U bent
een God van trouw, in eeuwigheid blijft U onze God,
die leven geeft, Licht en Vrede.
A. Dat geloven wij dankzij
Jezus van Nazareth, uw Zoon, uw Woord, bode van
uw trouw, God met ons.
V. Hij was een mens als wij, hij weet wat leven is, hij weet van pijn en lijden, van afscheid nemen en sterven.
Hij heeft zichzelf gegeven ten einde toe, als een
dienstknecht zonder aanzien zo is hij uw mens
geworden, gebroken, uitgedeeld, gegeten en
gedronken. Hem gedenken wij, de Mensenzoon, in het
Brood dat wij van U ontvangen en dat wij hier samen
breken en delen. Aanvaard dit teken van ons geloof.
A: U hebt ons geroepen, U hebt ons gemaakt, allen verschillend van hart en gezicht, ieder met eigen gaven om elkaar van dienst te zijn, maar allen uw mensen.
Wij bidden U. Kom met Uw Geest over ons, de
Trooster en Helper, die kracht geeft naar kruis, en
moed om te leven.
Onze Vader
Onze Vader, die in de Hemel zijt;
uw naam worde geheiligd;
uw rijk kome;
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;
en leid ons niet in bekoring; maar verlos ons van het kwade.
Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid
in eeuwigheid. Amen.
Onze Vader (oecumenisch)
Onze Vader, die in de hemel zijt;
uw naam worde geheiligd, uw koninkrijk kome,
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden
zoals ook wij onze schuldenaars vergeven.
En leid ons niet in verzoeking
maar verlos ons van de boze.
Want van U is het koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid, in eeuwigheid, Amen.
27. Lam Gods
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons,
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons,
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, geef ons de vrede.
28. Agnus Dei
Agnus Dei, qui tollis peccata muni, dona eis requiem
Agnus Dei, qui tollis peccata muni, dona eis requiem
Agnus Dei, qui tollis peccata muni, dona eis requiem, sempiternam.
COMMUNIELIEDEREN
29. Het brood in de aarde gevonden - tekst: H. Oosterhuis; muz.: A. de Klerk
1. Het brood in de aarde gevonden,
het brood door handen gemaakt,
het brood van tranen en zorgen,
dat brood dat naar mensen smaakt.
2 Het brood van oorlog en vrede,
dat dagelijks eendere brood,
het vreemde brood van de liefde,
het stenen brood van de dood.
3. Het brood dat wij duur verdienen,
ons lichaam, ons geld, ons goed,
het brood van ons samen leven,
die schamele overvloed.
4. Dat brood dat wij moeten eten
om niet verloren te gaan.
Wij delen het met elkander
ons hele mensenbestaan.
5. Gij deelt het met ons, zo deelt Gij
U zelf aan ons uit voorgoed,
een mens om nooit te vergeten,
een God van vlees en bloed.
30. Midden in de dood - tekst: M. Jacobse; muz.: T. de Marez Oyens
1. Midden in de dood
zijn wij in het leven,
want Eén breekt het brood
om met ons te leven
midden in de dood.
2. Dood is in ons bloed
dood voor onze ogen,
maar Hij geeft ons moed,
dat wij leven mogen
met de dood in ‘t bloed.
3. Dat wij uit de dood
opstaan om te leven,
etend van het brood
dat Hij heeft gegeven
midden in de dood.
4. Lamp voor onze voet,
licht voor onze ogen,
geef ons levensmoed
met de dood voor ogen,
met de dood in ‘t bloed.
5. Jezus uit de dood
opgestaan tot leven,
wees voor ons het brood,
dat wij in U leven
midden in de dood.
6. Wees voor ons de wijn,
dat wij van U drinken.
Wees voor ons de pijn,
dat wij in U zinken,
dat wij in U zijn.
31. Het lied van alle zaad - tekst: H. Oosterhuis; muz.: oude volksmelodie
1. Wie als een god wil leven hier op aarde
Wie als een god wil leven hier op aarde
Hij moet de weg van alle zaad
en zo vindt hij genade
en zo vindt hij genade.
2. Hij gaat de weg van alle aardse dingen
Hij gaat de weg van alle aardse dingen
hij leeft het lot met hart en ziel
van alle stervelingen
van alle stervelingen.
3. Hij wordt aan zon en regen prijsgegeven
Hij wordt aan zon en regen prijsgegeven
het kleinste zaad in weer en wind
moet sterven om te leven
moet sterven om te leven
4.De mensen moeten sterven voor elkander
De mensen moeten sterven voor elkander
het kleinste zaad wordt levend brood
zo voedt de een de ander
zo voedt de een de ander.
5. En zo heeft onze God zich ook gedragen
en zo heeft onze God zich ook gedragen
en zo is Hij het leven zelf
voor iedereen op aarde
voor iedereen op aarde.
GROET AAN MARIA
32. Ave Maria (wees gegroet)
Ave Maria, gratia plena, Dominus tecum,
benedicta tu in mulieribus,
et benedictus fructus ventris tui, Jesus.
Sancta Maria, Mater Dei,
ora pro nobis peccatoribus,
nunc et in hora mortis nostrae. Amen.
(Wees gegroet, Maria, vol van genade,
de Heer is met u.
Gij zijt de gezegende onder de vrouwen,
en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot.
Heilige Maria, moeder van God,
bid voor ons zondaars,
nu en in het uur van onze dood. Amen.)
33. Ik groet U vol genade - tekst: W. Frijhoff; muz.: Soo diep in die groene heyden
1.Ik groet U vol genade,
sprak d’engel Gabriël,
de bron van uw genade
is God, Emmanuel.
2. Want onder alle vrouwen,
zijt gij gebenedijd;
gelukkig die aanschouwen
in dank uw heerlijkheid.
3. En meer nog zij gezegend
de vrucht van uwe schoot;
door Hem zijn wij genezen
van een volkomen dood.
4.Gods Moeder, wil ons horen:
bid dat wij zondaars groot
voor God niet gaan verloren
in ‘t uur van onze dood.
34. Ik zing van ganser harte - tekst: H. Oosterhuis; muz.: R. Veelenturf
1. Ik zing van ganser harte voor de Heer,
ben opgetogen om mijn God de Redder,
2. Want Hij had oog voor mij, zijn dienares
maar wie ben ik - dat hij mij heeft gevraagd.
3. Nu mag ik mij voortaan gelukkig prijzen,
dat Hij zo grote dingen aan mij deed.
4. En alle eeuwen stemmen met mij in -
De Heer is machtig en zijn Naam is heilig.
5. Iedere tijd opnieuw gaat zijn genade
naar allen die eerbiedig met Hem leven.
6. Genade is zijn kracht, maar alle hoogmoed,
al onze eigenwaan ontmaskert Hij.
7. Alle machthebbers stoot hij van hun tronen,
arme en kleine mensen maakt Hij groot.
8. Wie honger hebben geeft Hij overvloed
en rijken stuurt Hij heen met lege handen.
9. Altijd is hij zijn volk nog trouw gebleven,
altijd bezorgd om Israël, zijn dienstknecht.
10.Zo had Hij het beloofd aan onze vaderen,
aan Abraham en aan zijn volk voorgoed.
TOT BESLUIT
Voorbede
35. Acclamatie: Niemand leeft voor zichzelf:
Niemand leeft voor zichzelf,
niemand sterft voor zichzelf.
Wij leven en sterven voor God onze Heer:
aan Hem behoren wij toe!
36. Acclamatie: Klimmende zon
Klimmende zon,
licht dat ons laadt met licht.
Liefde die liefde wekt,
vuur dat ons loutert.
Voer ons de dood voorbij.
Stem die ons roept.
Bron. Hart. Begin en einde.
Onze Vader.
37. Voor mensen die naamloos
1.Voor mensen die naamloos,
kwetsbaar en weerloos
door het leven gaan:
ontwaakt hier nieuw leven,
wordt kracht gegeven:
wij krijgen een naam.
2. Voor mensen die roepend,
tastend en zoekend
door het leven gaan:
verschijnt hier een teken,
brood om te breken,
wij kunnen bestaan.
3. Voor mensen die vragend,
wachtend en wakend,
door het leven gaan:
weerklinken hier woorden,
God wil ons horen,
wij worden verstaan.
4. Voor mensen die hopend,
wankel gelovend
door het leven gaan:
herstelt God uit duister
Adam in luister:
wij dragen zijn naam.
38. De steppe zal bloeien
De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen
en juichen.
De rotsen die staan vanaf de dagen der schepping
staan vol water,
maar dicht,
de rotsen gaan open.
Het water zal stromen,
het water zal tintelen, stralen,
dorstigen komen en drinken.
De steppe zal drinken.
De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen en juichen.
De ballingen keren.
Zij keren met blinkende schoven.
Die gingen in rouw
tot aan de einden der aarde,
één voor één, en voorgoed,
die keren in stoeten.
Als beken vol water,
als beken vol toesnellend water,
schietend omlaag van de bergen,
als lachen en juichen.
Die zaaiden in tranen,
die keren met lachen en juichen.
De dode zal leven.
De dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan en onder stenen bedolven:
dode, dode, sta op,
het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
een stem zal ons roepen:
Ik open hemel en aarde en afgrond
en wij zullen horen
en wij zullen opstaan
en lachen en juichen en leven.
39. Ga mee met ons
1. Ga mee met ons, trek lichtend ons vooruit
naar tijd en land, door u ooit aangeduid.
Leef op in ons, de mens die leven moet,
een die de toekomst heeft, die leeft voorgoed.
2. Ga mee met ons, verberg u niet altijd,
gun ons een flits, een teken in de tijd
dat u nog leeft, nog steeds om mensen geeft
en zonder wanhoop voor de vrede leeft.
3. Ga mee met ons, wie zijn wij zonder u?
Een mens gaat dood aan enkel hier en nu.
Licht op in ons, wees vuur en vlam van hoop.
Houd steeds in ons de toekomstmens ten doop.
40. God die ons heeft voorzien - tekst: H. Oosterhuis; muz.: Gelukkig is het land
1. God die ons heeft voorzien
en kent bij onze naam,
die ons ten leven riep
en houdt in het bestaan
Hij heeft ons voorbestemd
te lijken op zijn zoon
die mens is zoals wij
en in ons midden woont.
2. Hij heeft zijn eigen zoon
geen enkel leed bespaard.
Hij heeft ten einde toe
zijn geest geopenbaard.
Als God zo vóór ons is,
wie zal dan tegen zijn?
Al wat ons overkomt
zal hoop en zegen zijn.
3. Wie zal ons scheiden ooit
van God ons goed en bloed.
Geen toekomst en geen dood
bedreigt ons meer voorgoed.
Genadig en getrouw
wil Hij mijn vrede zijn.
Geen mens die Hem weerhoudt
om onze God te zijn.
BIJ HET VERLATEN VAN DE KERK
41. In paradisum
In paradisum deducant te Angeli;
in tuo adventu suscipiant te martyres,
et perducant te in civitatem sanctam Jerusalem.
Chorus Angelorum te suscipiat,
et cum Lazaro quondam paupere aeternam habeas requiem.
Naar het paradijs mogen engelen jou begeleiden.
Bij je aankomst zullen allen, die geleden hebben,
je in hun armen sluiten – en dan dragen ze je mee
naar de Stad, het heilige Jerzalem.
Daar schaart een koor van lichtgestalten zich
om je heen, en met Lazarus, de arme zwerver,
zul je zijn in rust en vrede voor altijd.
LIEDEREN NAAR KEUZE
42. Een mens te zijn op aarde - tekst: W. Barnard; muz.: Straatsburg 1545
1. Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd,
is leven van genade buiten de eeuwigheid,
is leven van de woorden die opgeschreven staan
en net als Jezus worden die ‘t ons heeft voorgedaan.
2. Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd,
is komen uit het water en staan in de woestijn,
geen god onder de goden, geen engel en geen dier,
een levende, een dode, een mens in wind en vuur.
3. Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd,
dat is de dood aanvaarden, de vrede en de strijd,
de dagen en de nachten, de honger en de dorst,
de vragen en de angsten, de kommer en de koorts.
4. Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd,
dat is de geest aanvaarden die naar het leven leidt;
de mensen niet verlaten, Gods woord zijn toegedaan,
dat is op deze aarde de duivel wederstaan.
43. Een mens te zijn op aarde - tekst: H. Oosterhuis; muz.: T. de Marez Oyens
1. Een mens te zijn op aarde,
is eens voorgoed geboren zijn,
is levenslang geboortepijn.
Een mens te zijn op aarde
is leven van de wind.
2. De bomen hebben wortels
de bomen mogen stevig staan
maar mensen moeten verder gaan
de bomen hebben wortels
maar mensen gaan voorbij.
3. de vossen hebben holen
de mensen weten heg noch steg
zijn altijd naar hun huis op weg
de vossen hebben holen
maar wie is onze weg?
4. De mensen hebben zorgen
hun brood is duur, het lichaam zwaar
en wij verslijten aan elkaar.
Wie kent de dag van morgen?
De dood komt lang verwacht.
5. Een mens te zijn op aarde
is pijnlijk begenadigd zijn
en zoeken, nooit verzadigd zijn
is rusten in de aarde
als alles is volbracht.
6. Hoe zullen wij volbrengen
wat door de eeuwen duren moet
een mens te zijn die sterven moet?
Wij branden van verlangen
tot alles is voltooid.
44. Een zaaier ging uit om te zaaien - tekst: W. Barnard; muz.: J. Ouwehand
1. Een zaaier ging uit om te zaaien,
hij zaaide zo wijd als de wind,
zo wijd als de winden waaien
waar niemand een spoor van vindt.
2. Een deel van het zaad ging verloren,
een deel van het zaad werd brood,
maar niemand weet van te voren,
de weg van het zaad in de schoot.
3. Het wordt op de wegen vertreden,
het valt in een vruchteloos graf,
het sterft aan de doornen beneden,
de vogels van bovenaf.
4. De lage, de hoge gevaren
bedreigen het kiemende graan,
maar soms kan het openbaren
de zin van het aardse bestaan.
5. Er is geen verwachting van leven,
tenzij in de dood van het zaad,
wij moeten de aarde vergeven
dat zij ons sterven laat.
6. O Zaaier, ga uit om te zaaien
de kiem waaruit leven ontstond,
zo wijd als de winden waaien
en maak ons tot moedergrond!
45. Jeruzalem, mijn vaderstad - muz.: Auld lang syne
1. Jeruzalem, mijn vaderstad,
mijn moederhuis, wanneer
zal ik U zien, zoals gij zijt:
de bruid van onze Heer.
Daar is geen pijn en geen verdriet,
geen afgunst en geen nijd,
en angst en armoe zijn er niet,
maar altijd vrolijkheid.
2. God geve, mij, Jeruzalem,
dat ik eens op een dag
een pelgrim aan uw poorten ben
en dat ik binnen mag.
De negers met hun loftrompet,
de joden met hun ster,
de laatste is de eerste hier,
al kwam hij ook van ver.
3. Van alle kanten komen zij,
de lange lanen door,
het is een eindeloze rij:
de kinderen gaan voor.
Jeruzalem, mijn vaderstad,
mijn moederhuis, wanneer
zal ik u zien zoals gij zijt:
de bruid van onze Heer.
46. Stil maar, wacht maar
Refrein:
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw
de hemel en de aarde.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw
de hemel en de aarde.
1.Nu gaan de bloemen nog dood
nu gaat de zon nog onder
en geen mens kan zonder
water en zonder brood. Refrein
2.Nu ben je soms nog alleen.
Nu moet je soms nog huilen.
En als je weg wilt schuilen
kun je haast nergens heen. Refein.
3.Nu heb je nooit genoeg,
nu blijf je steeds iets missen
en in het ongewisse
of je ooit krijgt wat je vroeg. Refrein
4. Daar is geen zon en geen maan
daar zal God ons verlichten.
Daar zullen alle gezichten
vol van zijn heerlijkheid staan. Refrein
5. Daar is geen dorst of verdriet.
Daar zal God ons omgeven
daar is gelukkig leven
en het eindigt niet. Refrein
5.Zingt van de eeuwige dag,
zing voor zijn komst en zeg amen.
Zing voor de Heer die ons samen
daar al van eeuwigheid zag. Refrein
47. Blijf mij nabij -
tekst: P. Stroux;
muz.: Abide with me
1. Blijf mij nabij wanneer het avond is,
wanneer het licht vergaat in duisternis.
Wanneer geen mens mijn hulpeloosheid ziet,
bid ik tot U, o Heer, verlaat mij niet.
2. Reik mij uw hand en spreek uw reddend woord,
wijs mij de weg en leid mij veilig voort.
Blijf mij nabij in vreugde en verdriet,
Ik heb U lief, o Heer, verlaat mij niet.
3. Wanneer uw licht mij voorgaat in de nacht,
wanneer ik hoor dat U mij thuis verwacht,
dan weet ik, Heer, dat U mijn zwakheid ziet,
dan zeg ik dank, want U verlaat mij niet.
48. Uit uw hemel zonder grenzen - tekst: H. Oosterhuis,muz.: Fl. v.d. Putt
1. Uit uw hemel zonder grenzen
komt Gij tastend aan het licht
met een naam en een gezicht
even weerloos als wij mensen
2. Als een kind zijt Gij gekomen
als een schaduw die verblindt
onnaspeurbaar als de wind
die voorbij gaat in de bomen.
3. Als een vuur zijt Gij verschenen
als een ster gaat Gij ons voor
in den vreemde wijst uw spoor
in de dood zijt Gij verdwenen.
4.Als een bron zijt Gij begraven
als een mens in de woestijn
zal er ooit een ander zijn
ooit nog vrede hier op aarde.
5. Als een woord zijt Gij gegeven
als een nacht van hoop en vrees
als een pijn die ons geneest
als een nieuw begin van leven.
49. De Heer heeft mij gezien en onverwacht - tekst: H. Oosterhuis; muz.: B. Huijbers
1. De Heer heeft mij gezien en onverwacht
ben ik opnieuw geboren en getogen.
Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht,
gaf mij een levend hart en nieuwe ogen.
Zo komt Hij steeds met stille overmacht
en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.
2. Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit.
Heeft in zijn handen onze naam geschreven.
De Heer wil ons bewonen als zijn huis,
plant als een boom in ons zijn eigen leven,
wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid
en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.
3. Gij geeft het uw beminden in de slaap,
Gij zaait uw naam in onze diepste dromen.
Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt,
zoals de regen neerdaalt in de bomen,
zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat,
zo zult Gij uw beminden overkomen.
50. Niet is het laatste woord gesproken - mel.: Laat ieder ‘s Heren goedheid prijzen
1. Niet is het laatste woord gesproken,
er klinkt een lied, al is het nacht.
Onzeker gaan wij, lotgenoten,
op weg met wie ons samenbracht.
Wat komen zal is nog verborgen,
God weet wat ons te wachten staat:
het stille licht, een nieuwe morgen
de dag die zich verzoenen laat.
2. Wie als het water uitgegoten
de dorre grond tot bloeien brengt:
wie als de dauw daalt in de morgen
en schepping met teer licht doordrenkt,
leeft niet vergeefs, gaat niet verloren
in duisternis van niemandsland.
Een naam klinkt in het wuivend koren:
belofte van een nieuw land.
51. U zij de glorie
1. U zij de glorie, opgestane Heer,
U zij de victorie, U zij alle eer.
Alle mens’lijk lijden hebt Gij ondergaan
om ons te bevrijden tot een nieuw bestaan;
U zij de glorie, opgestane Heer,
U zij de victorie, U zij alle eer.
2. Licht moge stralen in de duisternis,
nieuwe vrede dalen waar geen hoop meer is.
Geef ons dan te leven in het nieuwe licht,
wil het woord ons geven dat hier vrede sticht;
U zij de glorie, opgestane Heer,
U zij de victorie, U zij alle eer.