RK Wageningen

Zondag, 25 juni 2017

Uitzendingsrede

Uitzendingsrede

Op een dag werd uit het Evangelie voorgelezen hoe de Heer zijn discipelen uitzond om te prediken. Franciscus, die de mis bijwoonde, begreep zo ongeveer de bedoeling van de evangelietekst, en zodra de mis voorbij was vroeg hij de priester hem de betekenis ervan eens haarfijn uit te leggen. Toen die alles voor hem op een rijtje had gezet, werd het Franciscus duidelijk dat de discipelen van Christus geen goud, zilver of geld mogen bezitten, en dat ze ook geen reiszak of tas, noch brood noch een stok onderweg mogen meedragen, dat ze geen schoenen en geen tweede habijt mogen hebben. Hun taak is de verkondiging van het rijk Gods en van boetvaardigheid.

Dadelijk riep Franciscus juichend onder de invloed van de Geest van God: ‘Dat wil ik ook, daar ben ik naar op zoek, zo wil ik zijn vanuit de grond van mijn hart.’ Uitzinnig van vreugde en zonder een moment te verliezen haastte hij zich om in praktijk te brengen wat hij gehoord had. Hij trok meteen zijn schoenen uit, gooide zijn stok weg, verving zijn riem door een stuk touw, en wilde nog maar een enkel habijt overhouden. Dat habijt gaf hij de vorm van een kruis om daarin alle door de duivel ingegeven fantasieën uit te kunnen bannen, en hij gebruikte er zeer ruwe stof voor om zijn huid met zijn hartstochten en zijn begeerten te kruisigen. Hij zorgde er ook voor dat het er uiterst armoedig en versleten uitzag, zodat het door de wereld op geen enkele manier begeerd zou kunnen worden. Bovendien popelde hij om alles wat hij gehoord had heel precies en vol respect na te volgen. Want hij was niet doof voor de boodschap van het Evangelie, integendeel, hij prentte alles goed in zijn uitstekende geheugen en zorgde ervoor dat hij het naar de letter uitvoerde.

Uit de Eerste Levensbeschrijving van Franciscus van Thomans van Celano 1Cel 22

 

Tekst van patoor van Luijk

De jonge Franciscus was een groot idealist. Toen hij 17-18 jaar was, wilde hij van alles, vol verwachtingen in het leven.Soms wilde hij ridder worden en een belangrijke positie in het leger. Dan weer wilde hij de politiek in en een voorname oplaats in het bestuur van de stad. Hij voelde zich als leider van de jongeren en dat kwam hem goed van pas, hij zag dat als een begin van een grote carriere  in de stad. Dan weer was hij gevoelig voor de verwachtingen van zijn vader om de grote zaak uit te bouwen van grondstoffen en laken in Frankrijk.
Er speelde van alles door zijn hoofd. Marsman zou zeggen: “Groots en meeslepend wil ik leven”.

Hard werken hoefde hij niet want z’n vader was één van de notabelen van de stad. Daarom maakte hij dikwijls dromerige wandelingen. Op één van die wandelingen kwam hij in een klein kerkje, hij ging naar binnen, niet zozeer om te bidden maar enkel om uit te rusten.
In dat kerkje hing een groot kruis. En toen gebeurde er iets wonderlijks, toen was het alsof het kruis tot hem sprak: “Franciscus, ik heb je nodig voor mijn kerk, wil je van mij houden meer dan van wie dan ook? Wil je naar mijn stem luisteren?”  Franciscus wist niet wat hij hoorde. Verward liep hij naar buiten want hij wist niet of hij droomde of dat het echt was. Om weer tot zichzelf te komen liep hij een spelonk in, maar hij bleef die stem horen:”wil je meer van mij houden dan van wie ook?” En hoe meer hij luisterde, hoe meer het licht en warm werd in zijn hart. In die spelonk kwam hij tot rust. Alle wilde gedachten om groots en meeslepend te leven verdwenen. Ook de gedachte om de belangrijkste van de stad te worden. En daarvoor in de plaats kwam wat ik ooit een franse priester hoorde zingen: “Signeur mon Ami , O Heer, mijn vriend, Gij hebt mij bij de hand genomen, ik ga samen met U verder, zonder angst, naar het einde van de weg”.
Meegaan met de heer, wat dat voor ieder van ons persoonlijk betekent dat weet ieder van ons zelf het beste. Wat het voor Franciscus betekende daar heeft u deze week veel over gehoord. Nu alleen dit punt. In zijn brieven heeft de volgende gedachte een belangrijke plaats:

Gelukkig de mens
die zijn naaste
in diens kwetsbaarheid draagt
zoals hij door hem gedragen wil worden
als hij in soortgelijke situatie verkeert.

Die tekst heeft te maken met de volgende ervaring van Franciscus.
Op één van zijn reizen kwam hij een melaatse tegen. Toen sprong hij van zijn paars, omhelsde en kuste die melaatse. Dit zou niemand doen, want melaatsen moesten vermeden worden uit angst om besmet te worden. Melaatsen zijn kwetsbare mensen, komen niet aan leven toe, voelen zich opgesloten en eenzaam. Deze vorm van melaatsheid kom je overal tegen, soms ook in je eiegen omgeving.
Franciscus had een groot gevoel voor kwetsbare mensen. Daarom heeft deze tekst een belangrijke plaats in zijn brieven. Daarom zegt de Franciscusfiguur voor mij:
“Open je hart voor deze mensen. Dan ben je op z’n mooist en is er vrede in je hart. Een groot cadeau voor ons hart dat vaak zo onrustig is”.

Alle goeds en vrede voor ieder van u,
Pater W. van Luijk o.f.m., emeritus pastoor van Wageningen.

Copyright © 2017 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.